“Ik heb hem écht ontmoet”, zegt Arnold Karskens tegen de journalist van Trouw. ‘Hij zat vlak bij de poort van Kirjat Arba. […] Hij was erg geïnteresseerd in mijn werk. Ik heb hem het artikel opgestuurd en hij heeft nog gereageerd ook, heel positief, maar ik ben die brief helaas kwijtgeraakt. Doodzonde. Een brief van Jezus, wie heeft zoiets? […] Een paar jaar eerder had ik trouwens in Joegoslavië, waar de Serviërs en de Kroaten elkaar bestookten, ook de Heilige Geest al eens ontmoet.”

Een beetje journalist maakt foto’s, opnames, grijpt alles aan om bijzondere ontmoetingen vast te leggen. Niet Karskens. Hij stuurt Jezus een artikel en krijgt een brief terug. Dus hij stuurde zelf per post, anders had hij het mailadres van Jezus gehad. En wie heeft zoiets? Onderwijl vult hij de heilige drie-eenheid aan, want Jezus al ontmoet, de Heilige Geest … nog even en je denkt dat hij de Vader is.

Ik dacht aan de missie van Ongehoord Nederland, dat “amusement wil bieden dat losstaat van het keurslijf van de politieke correctheid die inmiddels in ruime mate de inhoud van het huidige publieke bestel domineert.”

Laatst las ik over het nieuwe decennium, dat veel veranderingen gaat brengen; als the new roaring twenties. De grote bewegingen zijn immers dood of lopen op hun einde, zoals communisme (†) en kapitalisme en we zijn het egocentrisme en cynisme ook wel zat. Wat er voor in de plaats komt? Meer realisme, hoop ik, en dan positief gestemd. Of zoals vriend Ton van ’t Hof het op 1 januari verwoordde:

Ontroerd raken, of contact krijgen met anderen. Of het verheffen van het alledaagse tot een ware kunst. Van dat soort dingen.

Ik ga vanmiddag naar Flachau, een winter ervaren, een weerzien met schoonfamilie en weer een glaasje drinken. Van dat soort dingen.

Ik lees te weinig poëzie, voor de liefhebber die ik ben. Wel lees ik elk nieuw gedicht van Ton van ’t Hof, die de laatste tijd veel goeds produceert, naast het proza dat hij dan blog noemt. Los van dat kan meer poëzie geen kwaad. Omdat het de zinnen verzet en dat heeft elk mens nodig (en dat hoeft niet per se met poëzie). Voor werk bijvoorbeeld. Ik loop al wat jaren mee en weet hoe dingen kunnen gaan. Dan voorzie ik problemen en waarschuw daarvoor om vervolgens te zien dat het zich precies voltrekt als voorspeld. Alleen heb je er niets aan om gelijk te krijgen. Meebewegen is beter.

Roos heeft het gat in onze Japanse rondreis komend voorjaar gevuld. Naar aanleiding van een NRC-artikel over Odawara Art Foundation van Hiroshi Sugimoto (‘Een paradijs, maar dat besef je juist pas als je weg bent. Dan wordt het een vluchtplaats in je hoofd’, schrijft Hans den Hartog Jager) kwam ze uit bij het Shoji Ueda Museum of Photography, in Houki, waarvan alleen al het gebouw uiterst indrukwekkend is. We zochten nog een bestemming tussen Okayama en Osaka in en hebben die nu gevonden.

We aten weer verrukkelijk dit weekeinde. Op zaterdag tarbot met gegrilde groente en op zondag geitenvleessaté met sajoer boontjes. Alles kan een mens gelukkig maken, wist ik: poëzie, zelfkennis en lekker eten bijvoorbeeld.

De reis naar Zwolle moest kalm verlopen, een uurtje treinen en ondertussen genieten van de Oostvaardersplassen, maar in Amsterdam begon een vrouw voor mij aan een lang belgesprek over een driehoeksrelatie. Er was een zij die bedreigde, die de boel verdraaide en besodemieterde en ze moest niet zeuren want ze had toch een vent. Bijna bij Lelystad kreeg het gesprek een draai toen de vrouw zei dat zij op een ander type vrouw viel (degene met wie ze belde) en dat het nooit wat met die ene kon worden. Er was wat geflirt over donker haar en blauwe ogen en dat die andere haar zo goed begreep en dat zij best volwassen was voor haar leeftijd, slim zelfs, maar dat ze iemand nodig had die haar af en toe corrigeerde, want ze zag alles zwart-wit. Het gesprek dommelde in, tot de coupé opveerde door de uitbarsting DAT ZIJ TOCH NIET DEGENE WAS DIE EEN TRIOOTJE WILDE…

Ik ging naar Zwolle voor een weerzien met poëziekompanen Gert, Ton en Nanne, met eerst een bezoek aan De Fundatie. Jeroen Krabbé hing daar met gedroomde paradijzen (blèèègh), er waren Congo Tales (gestileerde edelkitsch, muntte Gert later) en er was een multimediale tentoonstelling over onrust, want de wereld verandert snel en dat wordt weer snel gedeeld, wat voor onrust zorgt, aldus kunstenaar Sticks. Er was een studio waar je naar een rap kon luisteren met de herhalende zin: ‘Moet ik me zorgen maken’, wat wij beaamden.

Daarna het echte doel: bier en wijn, in De Refter, waar we werden geholpen door meiden die wat onbeholpen bedienden. We probeerden dat te compenseren door cool te doen waarna een van de serveersters schmierde ‘dat wij heel speciaal voor haar waren’. Het gesprek ging over gesteldheid, die van ons en die van de poëzie, wat we vervolgden in Bella Napoli, wat een breuk was met de traditie van Chinees. We waren er rond zessen, wat vroeg is, maar de eigenaar vond dat helemaal niet gek. ‘In het weekend zitten we vaak om half vijf al vol.’ Er kwam een vrijgezellengroep binnen, zonder de in Amsterdam gebruikelijke uitdossing van de aanstaande bruid. Ook de dood kwam langs en dat ik als jongste de plicht had een gedicht te schrijven voor aan het graf van mijn vrienden. Het was Allerzielen gisteren, maar daar spraken we niet over.

En dan heb ik in drie dagen zomaar drie keer stevig gesport. Misschien om een beach body te krijgen, voor Barcelona, maar dat concept heb ik jaren geleden al verlaten. Ik moet het doen met wat ik heb: wel fit, maar door de jaren toch wat verstevigd. Heeft vast te maken met het heerlijke eten van Roos.

Van collega Sipke kreeg ik goede tips die me om Gaudi heen leiden. Ik heb weinig op met zijn architectuur, maar Roos wil na jaren van ervoor staan de Sagrada Familia eindelijk vanbinnen zien. Hoor ik die naam dan denk ik steevast aan het album Gaudi dat The Alan Parsons Project in 1987 afleverde. Mijn eerste cd ooit.

Ik zou zo introspectief willen zijn als vriend Ton, die in zijn blog elke dag verslag doet van zijn staat van zijn. Misschien zit ik niet zo in elkaar en overdenk ik te weinig en misschien wil ik gewoon niet weten waar ik in dit leven sta. En dan ben je 53 jaar oud. Maar hee, wel fit.

Taken te doen: een lijst samenstellen van musea die we komende week moeten bezoeken. Controleren of ik nog een zomerbroek heb. Er gaat veel in de kledingzak.

Hannekes Boom was te druk (toeristen hebben het ontdekt) zodat we uitweken naar het terras bij Pension Homeland, wat erg lekker was, zo in de zon, met een speltbiertje uit eigen brouwerij. En ach, zet er nog maar één bij en een portie bitterballen. Ik had het verdiend, vond ik, na een bescheiden fietstocht. En Roos verdient het altijd.

Thuis lag er een pakketje klaar, uit Frankrijk, met de in Amerika gedrukte bundel van Ton van ’t Hof. Later die dag blogde hij dat zijn vader die dag is overleden. Ook een man uit 1933, zoals mijn vader, die nog steeds door het leven rolt; hoewel fragiel. Ik dacht toen aan de dood en vond deze woorden van John Asbery.

Bloeiende dood

Alvast vooruit, beginnend vanuit het hoge noorden, dwaalt het af.
Zijn radijs-sterke benzinedampen zijn waarschijnlijk vergrendeld
in je neusholtes terwijl je weg was.
Je zult het moeten afleveren.
De bloemen leven ​​op de rand van de adem, losjes,
Daar neergelegd.
Het ene onderbreekt het ander,
Of dat er een symmetrie in hun bewegingen zal zijn
Waarmee ieder ook een individu is.

Maar het is hun collectieve leegheid
die een idee verraadt van iets dat niet vernietigd mag worden.
En hierin, door hoeveel feiten we ook zijn gevallen
glinstert daar toch de oude gevel,
Een luchtspiegeling, maar permanent. Eerst moeten we het idee misleiden
naar het bestaan, om het dan te ontmantelen,
De stukken op de wind verstrooien,
Zodat oude vreugde, bescheiden als taart, als wijn en vriendschap
uiteindelijk bij ons zal blijven, gesteund door de nacht
Wiens kunstgreep het zijn uiteindelijke betekenis gaf.

Het origineel

Flowering Death

Ahead, starting from the far north , it wanders.
Its radish-strong gasoline fumes have probably been
Locked into your sinuses while you were away.
You will have to deliver it.
The flowers exist on the edge of breath, loose,
Having been laid there.
One gives pause to the other,
Or there will be a symmetry about their movements
Through which each is also an individual.

It is their collective blankness, however,
That betrays a notion of a thing not to be destroyed.
In this, how many facts we have fallen through
And still the old facade glimmers there,
A mirage, but permanent. We must first trick the idea
Into being, then dismantle it,
Scattering the pieces on the wind,
So that the old joy, modest as cake, as wine and friendship
Will stay with us at the last, backed by the night
Whose ruse gave it our final meaning.

Nieuw verschenen heet de rubriek in het poëzietijdschrift Awater. Mijn nieuwste is net verschenen, dus vermelding in die rubriek leek me passend. Het is een kleine rubriek, met de naam van de bundel, auteur, uitgeverij en verschijningsdatum. Heel veel heeft het niet omhanden. Maar eigen beheer past niet, antwoordde de bureauredacteur, want dan zou de lijst te lang worden. Feitelijk klopt de rubrieksnaam dan niet, zou dan Nieuw verschenen bij erkende uitgeverijen moeten heten, maar ik ben redacteur genoeg om te snappen dat dat niet bekt. Ook weet ik dat het commercieel niet interessant is voor de uitgeverijen die Awater wel voeden om ook eigenbeheerproducties te brengen. Maar dacht ik later, waarom niet? Waarom geen volledige lijst van alle poëzie die die maand is verschenen? Het is extra kopij en dus gemakkelijk voor de redactie. En je laat zien wat er nog meer gebeurt op poëziegebied, zodat je het volgende iets beter kunt claimen:

In poëzietijdschrift Awater – het grootste literaire tijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en recensies over poëzie.

Het grootste literaire tijdschrift brengt dus niet al het nieuws over poëzie. Redacties maken keuzes, prima, maar wees opener over die keuzes. Of maak bijvoorbeeld elke maand een minirecensie over een bundel die niet bij de bekende uitgeverijen uitkomt. En dan kun je er met alle bureauredacteuren smalend om lachen, het afbranden voor mijn part, maar je geeft dan meer dichters een podium dan alleen de eigen clan. (Dit probleem stelt Ton van ’t Hof overigens al jaren aan de kaak.)

Het spook van de subsidie waarde door ons vriendengesprek. Ton is mordicus tegen elke subsidiëring van romanschrijvers of dichters en wil dat systeem direct afschaffen. Gert ziet er weinig kwaad in, want het subsidiebedrag is niet hoog en vormt vaak het enige inkomen van een dichter. En met die standpunten gingen we dan lekker in de weer. Ook ik ben geen voorstander van subsidies. Zo er kunstenaars of schrijvers gestimuleerd moeten worden voor nieuw belangrijk werk, dan liever jonge talenten en niet zoals nu de gevestigde namen. Of gebruik dat geld om de poëzie digitaal te ontsluiten, stelde Ton voor. Want je kunt nu maar een handjevol bundels online raadplegen.

We bespraken bundels die we nog niet volledig lazen, bespraken het gebrek aan roddels in de scene waartoe we niet meer behoren, dronken cognac (ik sta een maandje droog), vonden evenmin als Ron Silliman een nieuwe stroming in de poëzie, dachten aan de landen, continenten zelfs, waar we in dit leven zeker niet meer komen, over waar we na het pensioen kunnen wonen, bespraken persoonlijke dingen, de ouderdom van anderen, films te zien en aten een flauwe hap bij Nam Kee. Het zijn avonden zoals je wilt dat ze zich ontvouwen.