Tjongejonge, ik ben me toch chagrijnig. Het is maar goed dat ik niemand spreek vandaag, of wacht… ik mailde een collega een chagrijnig antwoord op een redelijk verzoek. Notabene op mijn vrije dag. Waarom niet wachten tot maandag? Vanmorgen ging het koffieapparaat kapot en bleek ik twee kilo te zijn aangekomen, nadat het zo goed ging. De combinatie van sporten en geen alcohol werkte prima, maar de sportschool dicht is funest voor me. Ik heb potdomme coronavet. Ik heb weinig opties, kan niet hardlopen, alleen fietsen, maar met een schrale oostenwind loop ik het risico om zwaarder verkouden te worden.

Nog geen redenen tot chagrijn zul je denken. En je hebt gelijk. Het zijn de naweeën van een zware week die zondag begon toen mijn vader opnieuw bleek te zijn gevallen en vermoedelijk een nacht op de grond heeft gelegen. De man is al fragiel en toen dat. Die zondagnacht sliep ik niet uit vrees de volgende ochtend een telefoontje te krijgen dat ie is overleden. Maar nee. Hij herstelt langzaam en krijgt van zijn kinderen intensieve zorg. Afgelopen week draaiden we toerbeurten. Nu kan het regime iets losser en hoeven we niet permanent aan zijn zijde te staan en houden we de vinger aan de pols. Hij kan weer dingen zelfstandig doen, maar het houdt niet over. Na een loopje van vier meter is hij uitgeput.

Maandag ben ik zelf aan de beurt. Dan heb ik een telefonisch consult met de oncoloog en sluit ik een periode van tien jaar controle af. Het schoon verklaren volgt vast, maar nu dreigt verhoogd cholesterol en daarmee kans op hart- en vaatziekten. En juist daarom wil ik sporten.

Alle dagen lijken inmiddels op elkaar, vandaar die neiging om mijn werkmail gewoon te beantwoorden. Een vriendelijke collega stuurde me gisteren een groepsmail, met de vraag om opbeurende gedichten te delen. Omdat ik poëzie-minded ben, schreef de initiatiefnemer Ik antwoordde korzelig dat ik niet van de emo-poëzie ben en zag alle goede bedoelingen over het hoofd. Welbeschouwd was ik gisteren al chagrijnig. Arme Roos.

In de herhaling ‘Krabbé op zoek naar Chagall’ gezien, wat met die kirrende Jeroen best vermakelijk was, en interessant. Zo weet ik nu dat Chagall bij Lissitzky en Zadkine in de klas zat. Han Lips van het Parool recenseerde dat je het aan Krabbé kunt overlaten om een serie over Chagall al binnen vijf minuten over Krabbé zelf te laten gaan, “maar vooruit: hij kent zijn onderwerp én is enthousiast.”

Toen het nog kon, waren we in het Stedelijk Museum. In een van de zalen rond het werk van Carlos Amorales hingen bekkens en gongs waartussen een Aziatisch jochie met een paukenstok driftig heen en weer rende, steeds tegen de bekkens tikkend. En dat duurde en duurde. De slagwerker in mij wilde eigenlijk die stok afpakken en laten zien wat er nog meer mogelijk is. Ik ben immers ook kind… verdedigde ik mijn gedachte.

Nu één week thuiswerken erop zit, komen de vragen. Of we dit ritme nog een maand volhouden (ja, ook al moeten we), of onze vaders gevrijwaard blijven, of Nederland na de crisis tot inzicht komt en kiest voor een bewuster leven. Er zijn merkbare verschillen ontstaan. Zo is het water (in Venetië en vast ook elders) schoner en helderder geworden en de luchtkwaliteit verbetert overal ter wereld drastisch. En dan is er nog de economie die verregaand geglobaliseerd is en daar nu slachtoffer van is. Dus na de crisis minder produceren en graag dichterbij. Het is van de zotte dat we voor een minimaal voordeel producten van ver weg laten komen. Wat dat doet voor het milieu laat zich raden.

Ik vermoed echter dat Nederland na de crisis opnieuw gek wordt en als een bezetene de verloren tijd wil inhalen. Dat we al die festivalletjes en evenementen weer uit de grond trekken en doen of er niets is gebeurd. Dat we het recht hebben om vermaakt te worden.

Vanochtend een Ikea-buitenkastje in elkaar gezet. Zoals bij alle Ikea-spullen zit er wat gevloek (van mij) bij en nee-waarom-doet-je-dat-zo. We kennen de instructies inmiddels door en door, die erop neerkomen dat ik Roos volg en het niet waag de leiding te nemen. Ook omdat Roos veel handiger is dan ik. Opeens leek het kastje klaar, maar nee, de plank kon niet hangen. Dus kast weer uit elkaar en opnieuw beginnen. Die tweede keer gaat dan wel snel.

Ook de grappen over corona volgen elkaar snel op. Een collega WhatsAppte dat het vreemd is dat de Appie jaren roept hamstereeeen en dat als we dat doen, dat niet mag. Dat werk. Ook gaat er een foto rond waarop in reliëf twee mensen trekken aan een overvolle winkelwagen; getiteld de slag bij Albert Heijn, omstreeks 2020 n Chr.

Ik ben verkouden, voel een koutje op de borst en lichte keelpijn. Maar ik heb gezonde trek, wat ik niet heb als ik ziek ben. Dus verkies ik splendid isolation, als in de beste Britse tradities. Van de onderhandelingen na de Brexit horen we trouwens weinig.

Een vriendin van Roos woont in Zwitserland, enkele kilometers van Italië, afgezonderd. Steeds mag één persoon de supermarkt in. Ze zei paracetamol in te slaan, want het kon wel eens erger worden. In Italië is de toestand zo kritiek dat er triage volgt: zijn twee mensen ernstig ziek en de één is ouder dan 72 jaar, dan is die de klos. Ben benieuwd hoe ze dat mededelen, zo’n doodsoordeel. Brrrrrrr.

Een dag om binnen te blijven, wat nooit erg is; genoeg te doen. Wachten op een bestelling, boodschappen doen, huis aan kant brengen en een template van Lulu.com gedownload. Maar ik kreeg een Word-template waar ik een opmaakprogramma wilde, dus toch naar Blurb. Wonderwel kan ik in dat programma afbeeldingen toevoegen en bewerken. Vooral het componeren is leuk. Twee pagina’s klaar…

Roos had vandaag veel overleggen, waaronder een drogeworstenoverleg. Heet dat echt zo, vroeg ik? Ja. Ben Your Daily Fake Poetry aan het lezen, het chapbook van Bob Vanden Broeck dat bij Gaia uitkomt. Het leest als documentaire poëzie en is duivels goed samengesteld. Een fragment.

Ik volg hem wel, hij stuurt mij, maar hij wordt ook door mij gestuurd. Kan ik zien of ik al slachtoffer geworden ben? Aanvallen laten geen sporen na, er ontstaat een mise-­en­-scène, of beter: een mise-­en-­situation, waar bepaalde dingen zich ontwikkelen. Het is een vreemde uitwisseling.

Begonnen aan het tweede boek van Dörte Hansen, Middaguur. Roos is naar tekenles en ik moet de krant nog lezen…

Niets gedaan, althans weinig, beetje huis schoonmaken, sporten, kranten lezen, spotjes besteld voor in de slaapkamer. Nog wel mijn bundel gestuurd naar Meander in de hoop op een recensie. En er is het vooruitzicht dat de vrijdag vanaf eind februari weer mijn vaste vrije dag wordt, zoals vroeger en lang daarvoor, in een ander werkend leven.

Ik kocht de bundel van Maarten van der Graaff en kreeg het poëzieweekgeschenk erbij. Ik las tien gedichten, maar het voelde niet als een geschenk.

Voor de bundel waaraan ik werk, heb ik Illustrator nodig en dus stelde ik Roos voor om dat programma te kopen. Maar dat kan niet meer, zei ze. Je kunt je er in the (de?) cloud wel op abonneren, voor 30 euro per maand. Wordt bezit ook al moeilijker? We kochten uit balorigheid een cd van Peter Fox, Stadtaffe. Nu nog uitvogelen waarop we die kunnen afspelen.

Titels bedenken voor mijn nieuwe bundel gaat heel gemakkelijk: Comic Life, The Batman Chronicles, Songbook, maar met titels komt een beetje verstandig dichter natuurlijk pas achteraf.

antti

Het zijn de eerste barsten in de Oostenrijkse gastvrijheid, constateerde zwager Theo. Bij een diner voor de deelnemers aan het kunstfestival minus20degree gaf iemand geld om af te rekenen, maar gaf de ober geen wisselgeld terug. ‘Omdat je hier altijd fooi moet geven’, zei de ober. En er was een taxichauffeur die de afspraak niet nakwam, van 5 euro per persoon voor brengen en terugbrengen. Hij bracht ons, maar wilde direct weg. Na aandringen bleef hij toch wachten, om aan het eind van de rit een extra bedrag te vragen. De Landesminister Salzburg zat ook in de taxi en sprak er schande van. Oostenrijkers willen deze banen niet, dus moet je wel met Oost-Europeanen in zee, was de teneur. Die bevolken inmiddels ook de pisten.

Het waren de enige smetjes op een fijne week. Op de aankomstdag sneeuwde het flink, wat prima sneeuw opleverde voor de rest van de week – en er was elke dag zon. Het plezier zat ook in het kunstfestival, dat dit jaar voor de vijfde keer werd gehouden. Zwager Theo Deutinger organiseert het (gesteund door zijn vrouw Monique Leenders), met onder anderen architecten Stefanos Filippas en Ana Rita Marques. Dit jaar werden negen kunstwerken gepresenteerd rond het thema Global Village (dat voor drie dragen bestond, gebouwd door studenten uit Münster). Er was onder meer werk van de fin Antti Laitinen, die landschapskunst maakt. Dit keer transformeerde hij een boom. Op zoek naar het perfecte exemplaar (10 kilometer verderop, vandaar de taxirit) zag hij een bevroren meer, waarop hij vroeg waarom niemand gaten in het ijs hakt, zodat je er kunt zwemmen.

Naast mijn eigen poëziebijdrage aan het open podium was er nog het absurde theater van Wolfgang Obermair en Peter Fritzenwallner. Ze hadden gedurende het festival een aantal performances, met op de laatste dag een processie naar de ingang van het dorp waar een kunstberg staat als poort naar Flachau. Je kunt er naar binnen, hadden de kunstenaars uitgevonden, die de stoet (onder wie Roos en ik) de berg inleidden. Daar was poppenspel en zongen de processiegangers in canon Das Ende ist Nah, Das Ende is Nah Hurra, Hurra, Hurra.

Het einde diende zich niet direct aan, maar zo het komt, dan was u gewaarschuwd. We hebben erg hard gezongen.

Goed volk?, vraagt mijn vader als ik op de deurbel druk. Ja, goed volk, is het standaard antwoord, of iets anders, maar dat hoort ie toch niet. Eenmaal binnen blijkt dat hij een groot blauw oog heeft. Daarnaar gevraagd is hij vorige week in huis gevallen, plat op zijn gezicht, dus een grote bloedneus erbij. De bloedvlek, grapt ie later, is een mooi aandenken. Griezelig is het ook. Hij heeft in zijn val de buffetkast op een haar na gemist. De noodknop op zijn polsband werd door de val ook ingedrukt, bij toeval, waardoor er snel hulp was.

Hij zegt verder dat zijn toch al slechte zicht (één oog blind, één op vijftig procent) nog verder terugloopt. Ik vraag of ie het nog redt, naar bed gaan, douchen, de dagelijkse gang naar het tehuis aan de overkant, maar dat wimpelt hij af. Gaat prima. Mijn vader is een trots man, die zich niet graag afhankelijk maakt van anderen. Gelukkig trekken anderen zich daar niets van en hij krijgt spontaan hulp, van vooral mijn zus Marjon en broer Robbert, die een oogje in het zeil houden en (onder meer) boodschappen voor hem doen.

Het gesprek vandaag ging zoals alle andere gesprekken, met vaste rituelen over werk (dan heb je tenminste vakantiedagen, ik moet alles in mijn vrije tijd doen), over reizen en over de keuze tussen twee diners in het tehuis waar hij elke dag eet. Vragen buiten dat kader zijn bij voorbaat kansloos, want hij weet het toch niet meer. Op de weg terug zegt Roos dat zij weinig kan inbrengen, in ons vader-zoon-ritueel, maar dat ze merkt dat hij het wel fijn vindt dat we op bezoek komen. Te weinig, moet ik bekennen.