De reis naar Zwolle moest kalm verlopen, een uurtje treinen en ondertussen genieten van de Oostvaardersplassen, maar in Amsterdam begon een vrouw voor mij aan een lang belgesprek over een driehoeksrelatie. Er was een zij die bedreigde, die de boel verdraaide en besodemieterde en ze moest niet zeuren want ze had toch een vent. Bijna bij Lelystad kreeg het gesprek een draai toen de vrouw zei dat zij op een ander type vrouw viel (degene met wie ze belde) en dat het nooit wat met die ene kon worden. Er was wat geflirt over donker haar en blauwe ogen en dat die andere haar zo goed begreep en dat zij best volwassen was voor haar leeftijd, slim zelfs, maar dat ze iemand nodig had die haar af en toe corrigeerde, want ze zag alles zwart-wit. Het gesprek dommelde in, tot de coupé opveerde door de uitbarsting DAT ZIJ TOCH NIET DEGENE WAS DIE EEN TRIOOTJE WILDE…

Ik ging naar Zwolle voor een weerzien met poëziekompanen Gert, Ton en Nanne, met eerst een bezoek aan De Fundatie. Jeroen Krabbé hing daar met gedroomde paradijzen (blèèègh), er waren Congo Tales (gestileerde edelkitsch, muntte Gert later) en er was een multimediale tentoonstelling over onrust, want de wereld verandert snel en dat wordt weer snel gedeeld, wat voor onrust zorgt, aldus kunstenaar Sticks. Er was een studio waar je naar een rap kon luisteren met de herhalende zin: ‘Moet ik me zorgen maken’, wat wij beaamden.

Daarna het echte doel: bier en wijn, in De Refter, waar we werden geholpen door meiden die wat onbeholpen bedienden. We probeerden dat te compenseren door cool te doen waarna een van de serveersters schmierde ‘dat wij heel speciaal voor haar waren’. Het gesprek ging over gesteldheid, die van ons en die van de poëzie, wat we vervolgden in Bella Napoli, wat een breuk was met de traditie van Chinees. We waren er rond zessen, wat vroeg is, maar de eigenaar vond dat helemaal niet gek. ‘In het weekend zitten we vaak om half vijf al vol.’ Er kwam een vrijgezellengroep binnen, zonder de in Amsterdam gebruikelijke uitdossing van de aanstaande bruid. Ook de dood kwam langs en dat ik als jongste de plicht had een gedicht te schrijven voor aan het graf van mijn vrienden. Het was Allerzielen gisteren, maar daar spraken we niet over.

Over Sudaiku’s van Nanne Nauta

imageOpnieuw rekt Nauta de grenzen van de haiku op. Eerder nam de dichter de haiku op de schop, met de bundel Hyperhaiku’s. Met Sudaiku’s (de vijfde) gaat hij nog verder. De lezer mag zich dit keer wagen aan het oplossen van talige sudoku’s, met alleen de gedichtentitels als handvat voor wat er kan staan. En ja, dat betekent concentreren en systematisch denken. En nee, dat leidt niet automatisch tot begrijpen, tot weten wat er staat. Maar is dat niet de uitdaging van alle poëzie?

Recensie Hyperhaiku's Nanne Nauta

Nanne Nauta is een inventief dichter. Hij mag zich al de grondlegger noemen van het kruissonnet, en daar komt met deze vierde bundel de Hyperhaiku bij. De Hyperhaiku is een haiku (vijf, zeven, vijf lettergrepen) die gebaseerd is op HTML (programmeertaal) en hyperlinks; zo althans valt te lezen in het nawoord. Maar geen zorgen: deze ‘technische’ basis staat de poëzie niet in de weg. Integendeel. Nauta laat zich in deze bundel helemaal gaan, met een enorm spectrum aan onderwerpen, en tal van invalshoeken om die onderwerpen scherp aan te snijden. Echt alles komt voorbij: van diepzinnige tot grappige en van lyrische tot soms platvloerse poëzie. Dat betekent niet dat je als lezer de weg kwijtraakt: de haikuvorm (eigenlijk zijn het senryu’s) houden die variatie keurig bijeen. Als lezer spring je pagina’s lang van idee naar idee en dat leest prettig. Het lijkt lichte kost die je snel verorbert, tot je na drie gedichten plots terug wil naar die ene treffende gedachte. Misschien is dat wel de grootste verdienste van Nauta: hij schreef zijn poëzie onbevangen, wat in Hyperhaiku’s leidt tot ongeremd leesplezier!