Fossielen

De Fundatie kan de weelde van Neo Rauch niet aan, besef ik tijdens mijn tocht door het Zwolse museum. De werken zijn te groot, de ruimtes te klein. Wat ook niet helpt is de grijze wolk die is neergedaald en overal zit of schuifelt en graag hardop praat. Ja, mevrouw met het kekke korte kapsel en dito bril, ik vind het ook mooi en enorm interessant, maar houd dat voor me. Of ik blog erover. Over die snaak van een Rauch bij wiens werk ik continu allegorische verhalen vermoed door kristallen, vogels, drilboren, hoorns. En hij maar zeggen dat-ie er niets mee bedoelt. Heerlijk samenspel dus, tussen schilder en toeschouwer.

Vandaag fietste ik een tochtje en stond in de buurt van Amsterdam voor een verkeerslicht. Een zilverharige, oudere hippiedame naast me nam foto’s van een sticker op een fietspaal waarop ‘Fossielvrij NL’ stond, waarna ik vroeg waarom. Ze zei met een zwaar Duits accent dat ik vast veel ouder was dan zij (Huh? O ja, mijn grijze baard) en dit heel belangrijk was. O, wat was ik het met haar eens!

Wohlfühlen

Ik vond het een verbluffend simpel, maar uiterst creatief idee. Je gaat naar een club en neemt alles op wat een (Duitssprekende) DJ tijdens het optreden roept en zegt en filtert muziek en publiek weg. Geluidskunstcollectief Faxen uit Linz noemde het Après Après. De organisatie van de vierde minus20degree Winter Biënnale in Flachau zocht er een passende locatie bij: onder een afgesloten snelweg, waar tussen het beton een repeterende, hypnotiserende voorstelling ontstond.

De organisatie van dit kunstfestival had dit jaar nog gekozen voor een thema, Wellness, maar de lustrumeditie laat de kunst vrij, werd duidelijk tijdens een symposium. Een thema haalt je als kunstenaar uit koers, vond een van de organisatoren. Dan ontwikkel je jarenlang een taal en moet je opeens kunstgrepen toepassen om te voldoen aan een ander idioom. De deelnemers van min20D18 waren minder stellig en vonden een thema wel handig. Later sprak ik de drie heren nog, onder wie ‘zwager’ Theo Deutinger. Ik drukte ze op het hart voor de 2020-versie van min20degree ook aan poëzie en woordkunst te denken. Lastig, want het festival focust op kunst en ruimte (als architectonisch idee).

Verder heb ik vandaag een ISBN aangevraagd voor Hotel Vanilla Sweet. Nu antwoord van een Vlaamse uitgeverij al maanden uitblijft, heb ik besloten de bundel zelf uit te geven. Ontwerpster Saskia van Rossum waagt zich aan een cover. Dit gedicht sprak haar bijzonder aan.

Het geeft me een universeel gevoel
als een Japans meisje een foto van me maakt.
Mijn opbollende biceps springen dan
als een ei tevoorschijn, zacht en plotseling
alsof je even uitblaast.

Het zijn steevast momenten dat ik onhandig
begin te verschijnen, zoals christenen neigen
naar een bergtraditie met klauteren.

Overleef je een transplantatie
in een vreemd land dan neig je
naar kleinigheden zoals je hand observeren.

Ik weet dan ook bijna niets over Japanners
alleen dat ze dode muizen in een sok stoppen
en in een vrieskist leggen en dat ze het woord
wederopbouw vaak gebruiken.

Ontmoeting met de avant-garde

Bij binnenkomst vraagt een elektriciën die in de stoppenkast in de hal bezig is, of ik mijn voeten wil vegen. Dat doe ik netjes, alsof ik thuis kom. Aan de balie zitten twee vrijwilligers van ruim boven de 60. In zwart, want dat hoort als je in een museum werkt. De dame zegt dat ze er al één dag werkt en dat is toch een flinke voorsprong op de man naast haar, die pas deze ochtend begonnen is. Ik ben – voor de volledigheid – in het nieuwe Van Eesteren Museum, dat van de Burgemeester De Vlugtlaan verhuisde naar de Sloterplas. Alles hier is nieuw. Het interieur, het elan en het feit dat ik mijn toegangsprijs wil pinnen, want dat heeft de man nog niet gedaan. Dat het mij lukt, lijkt vooral hem te plezieren. Maar dan moet hij mijn dagkaart stempelen en verdikke … staat de datum op het stempel wel goed? En zet ik de datum niet op zijn kop? Maar ook dat lukt.

Het museum is ook bescheiden. Het beschrijft het werk en leven van Cornelis van Eesteren, die in 1935 de stad Amsterdam ruimte mocht geven, en licht en lucht. Het resultaat was het Algemeen Uitbreidingsplan, dat voorzag in de bouw van de Westelijke Tuinsteden: Slotermeer (1951-1954), Geuzenveld (1953-1958), Slotervaart(1954-1960), Overtoomse Veld (1958-1963) en Osdorp (1956-1962). Van Eesteren wilde vooral een moderne stad.

“Modern staat voor een attitude, een mentaliteit van ontvankelijkheid voor nieuwe uitdagingen en mogelijkheden. In een moderne levenshouding zal men het onbekende verkiezen boven het vertrouwde, nieuwe uitdagingen en kansen boven traditie en conventies, en het experimentele boven het routineuze.”

Wat ik niet wist, is dat hij connecties had met de avant-garde van toen, onder wie Theo van Doesburg, met wie hij in 1923 een contra-constructie in kleur van het Maison d’Artiste schetste. Verder lees ik dat hij iets met Bauhaus deed en een eerste prijs won voor het ontwerp van een Parijse boulevard. Dat hij dan de opdracht voor Westelijke Tuinsteden als zijn meesterwerk zag, bevalt me wel, zo tegen al die internationale allure. Het ontwerp van dit paviljoen kan daar gelukkig in meegaan. Zelfs in hartje Slotervaart.

Dit o zo dartele Dappere Mensen

In het nawoord van Dappere mensen van collagekunstenaar Inez van Vuren schrijft de uitgever dat mensen allerlei vreselijke associaties hebben met het woord collage. Ze denken aan lekker speels en kriskras door elkaar geplakte vakantiefoto’s, of aan bloemen, van snippertjes papier.

Wikipedia doet het niet veel beter. Daar is collagekunst ‘een techniek waarmee snel een interessant eindresultaat bereikt kan worden of een ondergrond om op door te werken.’ Collagekunst als quick fix of onaffe kunst. Dat zijn dus niet de collages die Inez maakt, benadrukt de uitgever, maar dat merk je al, als je dit kunstboekwerk leest. Dit is niet zomaar knip-en-plakkunst, een werkje snel gedaan. Hier heeft de kunstenaar zeer precies taal en beeld ‘lopen’ componeren; met ogenschijnlijk veel plezier.

Het 33 pagina’s-boek bevat korte beeldverhalen over gewone mensen in absurde situaties, zoals Theo die het hiernamaals binnen hobbelt, vol goede moed, maar hij vindt wel griezelig dat hij de eerste is. Of de eenden die uit een lift op de rode loper komen en omgeven worden door fotografen en toeschouwers. Was dit nu het einde der dagen? staat geschreven, alsof zo’n setting echt kon bestaan.

Inez van Vuren heeft een talent voor het tragikomische. Er schuilt veel drama in het leven van haar personages, mensen als Joep, Floris en Pieter. En Francien. Zou je het hoedje misschien toch willen passen? vraagt Francien voorzichtig aan een meewarig kijkende, kalende man aan een houten tafel, de broek hoog door bretellen …

Het zijn dappere mensen die Inez van Vuren hier opvoert. Dapper in de categorie ‘we maken er wat van’, aldus de uitgever. Maar het is ook dapper van hen om er maar te staan, zonder opsmuk, in ongemakkelijke houdingen en situaties en met al je overpeinzingen en ideeën haarscherp verwoord. Om een lang verhaal kort te maken, levende kabouters, schrijft Inez bij de woordindex, om nog maar eens te benadrukken dat dit een fantastische wereld is, een wereld die je met alle plezier wilt geloven.

Op de hoorns nemen

Het moet iets zijn voor de liefhebber, een timeslot van slechts twee uur om een neushoornhoorn te bekijken aan de Amsterdamse Zuidas. De locatiemanager had geen betere plek kunnen kiezen, want aan de Zuidas mag het wel een beetje poenerig zijn. Ik associeer jachttrofeeën immers altijd met te veel geld en daaraan is rond het Gustav Mahlerplein geen gebrek. Naast de onbewerkte hoorn kunnen geïnteresseerden tijdens het flitsbezoek ook hoornen bekertjes bezichtigen en een wandelstok gemaakt van het kostbare materiaal. Dus je ziet wat je juist niet wilt zien: dieren verwerkt tot nutteloze producten. Maar geen nood. Wie de flitstentoonstelling mist (u bent al te laat) kan zich de rest van de week nog vergapen aan kunstwerken van neushoornschedels.

Het event duurt twee uur, want het risico op roof is groot, menen de organisatoren. Met de goede uitvalswegen van de Zuidas is dat inderdaad een groot gevaar. In die korte tijdspanne willen de organisatoren nog wel even de jacht op neushoorns aankaarten. Dat zou ik groter aanpakken, met een tentoonstelling die het fenomeen neushoornjacht (en eigenlijk elke jacht op wilde dieren) grondig aan de kaak stelt, met een online petitie tegen de jacht, zoals nu tegen Coca-Cola die de zeeën bevuilt met plastic … Het is nu een show, don’t tell. Het stemt me treurig. Maar op deze zondagochtend zag ik bij VT Wonen een lampenkapontwerpster. Ik durf te wedden dat ze in Amsterdam woont, dicht bij de Zuidas. Waar ze leuke dingen doet met neushoornvel.

Voorlinden is voortreffelijk

In de videofilm Who knows where the time goes van Gonzalo Lebrija schiet de kunstenaar in de woestijn van Mexico boeken als wilde vogels uit de licht. Niet als daad van geweld, lees ik, maar vanuit de wens om dieper contact te krijgen met de verhalen. Het werkt sprak me toen al aan (tja, boeken en zo). Ik dacht er zelfs aan het concept op video uit te werken, door onder meer:

  1. Pagina’s in de lucht gooien en ze als bladeren zien vallen.
  2. Boek weken in een bad.
  3. Er aan likken.
  4. In de broodrooster.
  5. Door de branding laten meeslepen.
  6. Er een lamp van maken.
  7. In een weckpot stoppen.
  8. Met een mes steken.
  9. In bed stoppen.
  10. Altaar van maken.

 

 

Return of the king

Begin dit jaar in Berlijn in Kunstraum Kreuzberg/Bethanien zag ik een bijzondere film over de comeback van the King of Pop Michael Jackson, beter … over zijn wederopstanding. Hij werd geïnterviewd over zijn terugkeer en wat hij van dit tijdsgewricht vond, pakweg zes jaar na zijn dood in 2009. Tijdens het gesprek kwamen stevige thema’s ter sprake, zoals IS, milieu en de wereldeconomie. Het wat mij betreft briljante van de film was dat de antwoorden van Michael louter bestonden uit zinnen uit zijn liedjes. You know, I am a lover, not a fighter, of they don’t really care about us, waarna steevast een shot volgde van uitzinnige fans. Het bracht me op het idee om een bundel te schrijven over die andere king: Elvis, en zijn kijk op deze maatschappij.

Ik moet er nog aan beginnen, maar het lijkt me een mooie klus.