Recensie Hyperhaiku's Nanne Nauta

Nanne Nauta is een inventief dichter. Hij mag zich al de grondlegger noemen van het kruissonnet, en daar komt met deze vierde bundel de Hyperhaiku bij. De Hyperhaiku is een haiku (vijf, zeven, vijf lettergrepen) die gebaseerd is op HTML (programmeertaal) en hyperlinks; zo althans valt te lezen in het nawoord. Maar geen zorgen: deze ‘technische’ basis staat de poëzie niet in de weg. Integendeel. Nauta laat zich in deze bundel helemaal gaan, met een enorm spectrum aan onderwerpen, en tal van invalshoeken om die onderwerpen scherp aan te snijden. Echt alles komt voorbij: van diepzinnige tot grappige en van lyrische tot soms platvloerse poëzie. Dat betekent niet dat je als lezer de weg kwijtraakt: de haikuvorm (eigenlijk zijn het senryu’s) houden die variatie keurig bijeen. Als lezer spring je pagina’s lang van idee naar idee en dat leest prettig. Het lijkt lichte kost die je snel verorbert, tot je na drie gedichten plots terug wil naar die ene treffende gedachte. Misschien is dat wel de grootste verdienste van Nauta: hij schreef zijn poëzie onbevangen, wat in Hyperhaiku’s leidt tot ongeremd leesplezier!

Recensie Winterreis Bas Geerts

Dacht ik laatst: het aardige van zo’n chapbook is dat je een dichters’ werk snel tot je kunt nemen en snel tot een besluit komt: dit spreekt me aan, dit niet. En dat je bij de mindere uitkomst kunt zeggen dat zo weinig gedichten niet representatief kunnen zijn voor heel het dichters werk. Dat er meer en beter in het verschiet ligt.
Het moeilijke van een chapbook – dat als hoofdstuk meestal weinig gedichten bevat – is dat elk gedicht moet ‘staan’, dat je niet nonchalant kunt zijn met wat je aan poëzie brengt, want die speelruimte is er niet. Een gemakkelijk of minder geslaagd gedicht valt in een kleine serie snel op, en verzwakt dat geheel.

Een chapbook kan naar mijn idee dus niet zomaar wat gedichten zijn met een kaft eromheen. Ik zie liever een bundel waaraan een centraal ontwerp ten grondslag ligt, maar dat dan uitgewerkt naar alle grenzen van dat idee. Het chapbook van Bas Geerts, Winterreis, is in zijn thematiek in elk geval helder. De dertien titelloze gedichten behandelen het verglijden van de wintertijd, en ik vermoed dat daartussen een relatie schemert, omdat er hier en daar sprake is van een wij en een ons. Alleen het eerste gedicht, de eerste regels geven aanleiding tot die interpretatie, met

Het komt
we zien het
handhaaft zich

Daarna is het zoeken naar die relatie. En wellicht zit die er gewoon niet in. Misschien is Winterreis precies wat de titel stelt: een reis door de winter(tijd). De taal sluit daar in elk geval op aan. Die is uitgebeend en kaal, en blijft door talloze weglatingen en een overvloed aan enjambementen soms met moeite binnen de grammatica. De langste zin telt vijf woorden, de meeste twee. Ook gebruikt de dichter bar weinig bijvoeglijke naamwoorden – wat ik prettig vind, dat je nadruk van de poëzie aan de lezer laat.

In menig opzicht is de bundel zeer consciëntieus. Vorm, taal en ritme zijn keurig bijeengebracht en kundig behandeld. De gedichten lopen goed in elkaar over en zijn gelijkwaardig aan elkaar. Alles is streng geordend, gerangschikt in het precieze. Toch kan ik niet zeggen dat deze bundel mij bevalt en dat zit ‘m met name in de taal die de dichter gebruikt. Al die weglatingen en dat zuinig zijn met betekenis heeft een doel, maar ik blijf zitten met te veel hiaten, en een tong die struikelt:

een oorsprong
het verlaten we
ook die zijn zijn
er omdat

of

is het verder
elders iets
iets wat
van voor ons
is dat via

Dit is behoorlijk ongrijpbare poëzie. Natuurlijk mag je van de lezer verwachten dat-ie in dit soort zinnen gaat zoeken naar betekenis, naar het andere verhaal, maar daartoe moet je wel worden uitgedaagd. Dan wil je de monotonie doorbreken hebben door goed getimede, creatieve taal.

Dat is direct mijn grootste bezwaar tegen Winterreis, dat het een vlakke bundel is. Bas Geerts biedt de lezer nauwelijks spitsvondige wendingen, geen onverwachte dreun, laat staan enig plezier in taal. Maar misschien zie ik dat verkeerd. Misschien kan alleen een goede dichter zo kaal en weerbarstig schrijven.

Recensie Ingangspunt Ton van 't Hof

Het zat Ton van ’t Hof in 2012 niet mee, schrijft hij in het nawoord bij Ingangspunt. Hij beleefde een persoonlijke en lichamelijke crisis, waarvan hij elke dag stipt om 17.00 uur verslag deed op zijn (oude) blog 1hundred1. Al die verslagen – aangevuld met soms zeer confronterende foto’s – had gemakkelijk een grote, loodzware bundel kunnen opleveren, maar Ton hield het met elf gedichten klein. Gedichten die volgens hem duidelijk maken dat al die ellende ook leidde tot een omslag in zijn poëzie.

Wat die omslag is, is lastig te bepalen. Want Van ’t Hof mag fysiek en geestelijk weer boven par zijn, maar of dat voor zijn poëzie ook geldt? Wie zijn werk kent, weet namelijk dat hij per bundel steeds persoonlijker wordt, dat hij de poëzie meer uit en naar zichzelf toetrekt, en Ingangspunt is daar geen uitzondering op. Sterker nog: het is Ton van ’t Hof in zijn meest uitgewrongen vorm.

Niet verbazend dus dat hij voor zijn openingscitaat uitkwam bij Oren Izenberg, die zegt dat het een dichter niet zou moeten gaan om gedichten schrijven, maar om als dichter iets te onthullen wat hem of haar als persoon onderscheidt. Hatsekidee! Kan een dichter nog duidelijker zijn in zijn opzet? Kan hij nog meer aanwijzingen geven dat hij zichzelf blootgeeft?

Ja hoor! Al in het openingsgedicht Iemand belde vijf keer aan, schrijft Van ‘t Hof dat hij bloot was (en dus niet open deed). Het gedicht is trouwens mooi in zijn eenvoud, met sterk halfrijm. Dat idee van naaktheid, van overgeleverd zijn, komt in meer gedichten terug.

Zo draagt het derde gedicht de titel, Het Es (wat volgens Wikipedia volgens Freud een reservoir is van impulsen, van energie en libido). Evenals de filosofische idee laat Van ’t Hof zich in dit gedicht leiden door zijn instinct:

ik ruilde vandaag zomaar de ene belofte in voor een andere.
Zonder vooroverleg.

De dichter geeft zich over aan wat zich aandient – tegen die achtergrond van een diepe crisis – maar vindt het moeilijk er betekenis in te zien: Het lijkt wel een parodie. Dat blijkt verder ook uit het titelgedicht op pagina 16.

[…] Je zit daar
en leest een gedicht. Over iets
wat er niets is. En ik weet dat je je afvraagt
of dat te maken heeft met opgerolde dimensies

Betekenis geven, ruimte krijgen, je plek vinden in dit leven… Deze bundel van Van ’t Hof lijkt op dat idee te drijven. Telkens neemt de dichter een positie in, om die vervolgens vanuit één kant te bekijken: met verbazing, luciditeit en humor. Maar bovenal met een grote helderheid, beseffend dat hij maar een mens is die toevallig heil vond in de poëzie – zijn uiteindelijke redding.

Die omslag die hij benoemt in zijn poëzie, is volgens mij dan ook geen omkeer, maar mogelijk gewoon de laatste keer dat Van ’t Hof zich op deze manier uitdrukt. Het staat ook met vuistdikke letters op de cover: Ton van ’t Hof. Ingangspunt. Het is de entree tot zijn crisisjaarpoëzie, waar hij gemakshalve een punt achter zet, want hierna wordt alles anders. Dus op naar nummer tien. Benieuwd hoe mooi onthecht die poëzie wordt.

Recensie Traliewoud Jürgen Smit

Kort na de presentatie van Traliewoud zei dichter Joris Miedema met gevoel voor understatement dat het een zeer beknopte bundel is, die Jürgen Smit afleverde. “Alle woorden opgeteld kan het niet meer kan zijn dan één A4.” Met 978 woorden zit hij er niet ver naast: anderhalf A4. (De langste heeft 52 woorden, de kortste 6.) En goed, dan gooi je er de titels nog bij, en dan kom je op 1074 woorden. Dat is nog steeds niet veel. Maar de blurp meldt al: “Traliewoud is uitgebeende taal”, dus beknopt en kort is het minste wat je kunt verwachten.

Andere dichters spraken na afloop van een volwassen debuut, en ook dat klopt, want uitgebeende taal, woorden steeds verder indikken tot een essentie – daarvoor moet je het nodige afleren. Hoe dat proces voor Jürgen verliep weet ik niet. Ik ken hem voornamelijk van zijn asemische poëzie. Daarin gaat het niet zozeer om een boodschap kernachtig overbrengen, maar gaat het om wat er niet staat, over wat afwezig is. Traliewoud volgt precies die lijn, en is in die zin een passend debuut.

Want wat Jürgen ook biedt aan familiaire anekdotes, aan vertelbruggetjes naar de oorlog en soms de liefde … er zit altijd die adder onder, sluimerend besef dat er meer is dan er staat. Soms komt die onderlaag (voor mij!) snel boven, zoals in van goethe & citroenen

we lagen in het gras & en jij
plukte een trein uit de lucht
niemand weet
waarheen precies
daar staat nu een fabriek
tenminste
er komt rook uit

De link naar ‘Bestemming concentratiekamp’ is snel gemaakt. Geen punt hier, want het gedicht roept veel meer op dan de ogenschijnlijk vluchtige herinnering. Smit vertelt hier onderkoeld een bitterzwart verhaal over de oorlog. Die oorlog, of meer nog – de holocaust – keert in veel van zijn gedichten terug. Zoals in traliewoud, tijdgeest, voorjaar 1941, en op een boekenmarkt te p. Het zijn gedichten die somber stemmen, die nog eens hard op die tragedie hameren. Maar dan in Smits eigen stijl: venijnig kort; als poëzie die zich niet makkelijk prijs laat geven. Ook dat kenmerkt voor mij de wasdom van dit debuut. Want zulk moeilijk materiaal verwordt door mindere handen al snel tot cliché. Dan ligt het sentiment op de loer.

Gelukkig kan een sombere geest niet zonder vreugde. Met Jürgen kun je ook lachen. Maar waar dat kan, laat ik aan u. Helaas moet ik nu zelf aan het cliché, door dus te zeggen dat Traliewoud veel te bieden heeft. Incluis de diepgang.

Wel een kleine maar: uitgever en dichter beweerden trots over punten te hebben gestreden, zelfs over de positie van het woordje ‘dan’. Ik denk dat het zelfs nog dunner kan, zoals in op een boekenmarkt te p. Daarin had ik (ik herhaal: ik) de zin ‘voor even waar ik was’ (volgend op ‘& vergat) en de slotzin ‘& rekende af’ ook nog weggelaten. Omdat ze hier wel iets duidelijk maken wat al duidelijk is. Omdat ze precies invullen wat de lezer verwacht. Maar dat is spijkers op et cetera. Wie weet, heeft Jürgen ook hierover een oorlog gevoerd. Hij was daar ten slotte al een bundel lang mee bezig.

Recensie Oogtheater Joris Miedema

Een jaar oud en niet besproken. Dat overkomt meer poëziebundels. Toch verdient Oogtheater – het debuut van Joris Miedema – meer aandacht. Al is het maar omdat het een van de vijfentwintig bundels is die kans maken op de C. Buddingh’-prijs 2012 (geen sterk argument, maar toch …) In dat deelnemersveld biedt Miedema een aparte kijk op het leven, een poëzieakte waarin het absurde en persoonlijke prettig samengaan.

Wie Oogtheater leest, maakt eerst en vooral kennis met een familie: met een vader, moeder, opa, oma, vrouwen. Elk gedicht draait om een personage. In de eerste reeks is dat een vader, de tweede is gewijd aan oma, de derde aan ‘zijn’ vrouw en de vierde aan een ik. Dus een autobiografische bundel denkt u wellicht, maar laten we dat niet hopen. Miedema presenteert namelijk een Addams Family, een familie met bizarre eigenschappen en gedragingen. Men komt bijeen om een uilenbal uit te pluizen, een buurjongen wil vermosselen op de rotsen, opa graaft oma uit de kelder en iemand rijdt een opgezette elandenkop rond in een kinderwagen. Alles is vreemd, vaak macaber en op zijn best ongewoon.

Die vervreemding is een en al taalspel. Miedema gooit metaforen door elkaar, maakt onmogelijke waarheden, en dat alles in klare taal. Miedema gebruikt nauwelijks en liever geen bijvoeglijke naamwoorden, waardoor de verhalen zelf de hoofdrol spelen. Ik vind dat prettig, dat je een poëzie krijgt voorgeschoteld zónder opsmuk. Dat niet elke taalvondst wordt geflankeerd met lyrische (en vaak saaie) uitwijdingen.

Oogtheater is ook een lichamelijke bundel. Het is een komen en gaan van lippen, handen, monden, ogen, vingers, benen en meer. Die lichamelijkheid zet de dichter vooral in dienst van de vergankelijkheid. De dood en de herinnering aan de doden spelen een belangrijke rol. Miedema zet de dood voor schut, maakt hem belachelijk, maar ontkomt niet aan de pijn van het verlies.

Ik snuffelde tussen littekens
en blauwe plekken
maar vond niets
waarmee ik mijn gemis kon vullen

Oogtheater staat dan ook grotendeels in het teken van afscheid nemen. Afscheid van vroeger, afscheid van geliefden, afscheid van een jeugd. Die ontroering, en de humor, en de spitsvondige taal maken dit tot een prima debuut. Mogelijk zelfs tot een prijswinnend debuut.

Ten slotte nog dit, Oogtheater heeft een opvallende cover: een tekening van de vorig jaar overleden striptekenaar Minck Oosterveer. Oosterveer schreef op zijn site dat de gedichten van Joris ‘stripachtig’ lezen en koos voor zijn tekening voor de beginregels van het gedicht Verrijzenis.

We wonen aan het strand en mijn vrouw slaapwandelt
Gister liep ze met haar stofzuiger over zee
ze zei dat ze het schuim van de golven zoog

Oosterveer modelleerde daaruit een rossige vrouw in haar duster, die met haar ogen dicht stofzuigt op een duistere zee (die lijkt op een Japanse prent). Daarmee verbeeldde hij nauwgezet het vrolijke en soms grimmige schouwspel dat Oogtheater uiteindelijk is.

Recensie: ‘In weerwil van alle terreur en het economische argument’

Het is een snaak, die Ton van ’t Hof. Want na een vulva op de cover van ‘Een lijn is een vore’ komt hij voor In weerwil van alle terreur en het economische argument met een gebeeldhouwd copuleren, als geeft hij ons alvast mee, dat we ‘in weerwil van alles’ gewoon lekker moeten neuken. Die intimiteit doorspekt heel de bundel. In weerwil van is de tweede bundel van Van ’t Hof dit jaar (Fantastisch dat je dit kan! schreef hij al in 2010). Erik Lindner merkte eerder over Een lijn is een vore op dat in sommige passages ‘geen afstand meer is tussen persoon en dichter’. Die lijn trekt Van ’t Hof verder door, want zijn nieuwe bundel leest als een persoonlijk relaas; een verhaal van verzet tegen het uitgestippelde leven en een strijd voor alles wat echt is, voor schoonheid ook.

Dat verzet begint al in het eerste gedicht, wanneer hij stelt: zo zou ik als kunstenaar bijvoorbeeld een wat militaireske kijk hebben, waar ik enkel naar onafhankelijkheid verlang / van oplossingen.

Niet alleen dient hij criticasters van repliek, ook lijkt hij de lezer een houding mee te geven: kijk onbevooroordeeld, wees oprecht. En zie hoe vals het leven is, of erger nog, het leven dat zich afhankelijk maakt van de markt:

De wereld is getransformeerd
in een monstrueus fantasmagorisch verschijnsel
jakkerend geheel
geconstrueerd uit strikte regels
en geflatteerd evenwicht

Zoals de titel al aangeeft, heeft de dichter een broertje dood aan het huidige klimaat waarin alles en iedereen moet wijken voor het economisch effect. Daarom spoelt hij het ‘nuttigheidsdenken’ van zich af en voert hij meermaals de zelfverzekerde X op:

Precies
zegt X en de wil tot het absolute weten
egocentrisme pur sang
voert tot een wereld die zichzelf vernietigt

Met die X is meer aan de hand. Van ’t Hof maakt van hem een filosoof, kunstkenner, maar ook een charlatan die Boeddha machientjes verkoopt en die regelmatig om een biertje vraagt. X fungeert vooral als spiegel voor de dichter, die zo veel vragen heeft. Een alter ego? Dat kan. Vooral als je een citaat neemt van Xavier Roelens: ‘x is een meervoud van ik’ (uit: Er is een spookrijder gesignaleerd).

Goed. De bundel is dus een poëtisch verzet tegen het marktdenken. Van ’t Hof past er echter voor om oplossingen aan te dragen voor hoe het wel heurt. Hij ziet daarentegen graag een terugkeer naar de onbevangenheid. Van ‘t Hof wil vrijheid scheppen / van beweging en onafhankelijk zijn van de gevestigde orde.

Met de gebruikte citaten – besef ik nu – kan het beeld ontstaan dat in de bundel een wereldverbeteraar spreekt. Dat schrikbeeld van geitenwollensokkenidealisme wordt gelukkig op elk moment ontkracht door de dichter zelf. Door veel zelfspot en vooral veel humor. Net wanneer je denkt dat het te zweverig wordt, haalt de tekst je onderuit:

mijn gedichten zijn als kaviaar
zeer interessant
wha ha ha ha
ha ha ha

Met dit soort tekstwendingen toont Van ’t Hof zijn onafhankelijkheid van de traditie, toont hij zijn wens om zich uit te drukken zoals hij dat wil. Van ‘t Hof blijft dus trouw aan zichzelf, aan de postmoderne dichter die het lyrische niet schuwt. Dat levert een boeiende bundel op, of beter gezegd: a damn good read.

Het belang van serendipiteit voor flarf

Op de Culture Show van the BBC zag ik een bijdrage van een professor in de sociale psychologie over internet en serendipiteit. Serendipiteit wordt gedefinieerd als het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders. De professor zei dat Google zichzelf graag ziet als serendipity machine, als een machine die de gebruiker oneindig veel resultaten biedt: vondsten die je zelf nooit kon bevroeden. Voor een overgroot deel maakt Google die belofte waar, door tal van bekende en vooral veel onbekende bronnen te ontsluiten. Google ontsluit de digitale wereld.

Maar waarschuwde de prof: Google beïnvloedt die resultaten, door persoonlijke zoekprofielen op te stellen. Zoek ik op Google naar een woordcombinatie, dan zullen de zoekresultaten verschillen van iemand anders die dit googelt. Of de volgorde is anders. Daarmee lijkt een eindigheid aan die oneindigheid te bestaan. Letterlijk ook: want zelden toont Google mij meer dan honderd pagina’s. Misschien ligt dat aan het Nederlands taalgebied, dat veel kleiner is dan het Engels. Dat heb ik gelijk onderzocht, met de woordcombi How to Be. Dat leverde een schamele 82 pagina’s op. En market place nog minder, met maar 72 pagina’s.

Nu gaat het ook niet om kwantiteit. Google mag met de kleine beperkingen die het heeft, mogelijk niet de oneindige bron zijn die het zo graag wil zijn. Voor mij (en voor mijn poëzie) blijft het wel degelijk een serendipity machine. Want geheel naar de letter van de definitie vind ik bijna altijd wat ik niet zoek.

Dat ik vaak op verrassende vondsten stuit, heeft ook te maken met de manier waarop ik op het internet graas. In mijn begintijd waren mijn zoekopdrachten zeer flarf. Met bijvoorbeeld naakte clown zoekt plezier of kippen, koelkasten en kanjers. Dat bracht vooral vreemde gedichten op, waarin samenhang niet belangrijk was. Het moest vreemd zijn, want zo is flarf. Een misvatting bleek later. Ook waren de gedichten die zo ontstonden simpelweg niet goed.

Dat bleek bijvoorbeeld uit een commentaar van Arnoud van Adrichem, nadat ik hem enkele gedichten had gestuurd. Hij schreef dat mijn gedichten krachtige regels en fraaie beelden bevatten, maar dat het spanningsveld tussen ‘mooi’ en ‘lelijk’ taalgebruik hem nog niet overtuigde. Als slecht voorbeeld zag hij deze zinnen:

(‘zooohooooo dat was wederom fucking bruut’, ‘tieten *kuch* + vagina *kuch* + schieten en helikopters / meerrrrrrrrrrrr! meerrrrrr! *fap*fap*fap* *kwijl* / whababwhawa *kwijl*’)

Ik begreep Arnouds standpunt volledig.

Het is de valkuil waarin menig beginnende flarfer in trapt (denk ik). Dat je zomaar wat intypt en zomaar wat maakt, dat voor flarf moet doorgaan. Er zat geen idee achter, en dat is funest voor elke poëzie.

Sinds enige tijd benader ik het flarfen anders. Centraal staat de samenhang, dat gedichten bij elkaar een verhaal vertellen. Geen lineair verhaal, maar een hink-stap-sprong door de tekst. Met elementen die her en der opduiken, maar niet altijd in dezelfde betekenis. Zo verwissel ik bijvoorbeeld graag van perspectief, en wissel dan tussen een ik-vorm, een jij-vorm of een hij- of zij-vorm.

Wat ook veranderde is de zoekopdracht zelf, die nu veel taliger is. Ik zoek bijvoorbeeld op “laten we dit nooit meer” en zoek dan in het zoekresultaat naar het verhaal eromheen.Wat wordt er nog meer gezegd op die pagina, die site, dat forum.

Of ik iets gebruik hangt dan af van het verhaal dat ik wil vertellen, of het daarbij past. Of het resultaat is zo briljant, dat het zelf de basis vormt voor een gedicht. Natuurlijk passend bij hetgeen ik wil vertellen.

Zo bezien, gebruik ik Google dus als serendipity machine. Dat ik iets onverwachts en bruikbaars vind terwijl ik op zoek ben naar iets totaal anders. Daarmee is poëzie niet ongeleid, niet willekeurig, maar is mijn post-flarf een bewust ingezette reis naar het onbekende. Een reis die me hopelijk ooit brengt voorbij de honderd pagina’s die Google mij biedt.