Fotograaf doet "kunstig"

Soms werkt het niet, bleek na de tentoonstelling Landscape with Tree van modefotograaf Jamie Hawkesworth in Huis Marseille. Veel herhaling, geforceerd kunstig en ontbrekende context (en ook simplistische begeleidende teksten). Huis Marseille biedt doorgaans gestileerde tentoonstellingen, gepolijste fotografie die door de goed ingedeelde ruimtes ook goed uitkomt. Bij Jamie Hawkesworth dacht ik steeds: o jee, deze fotograaf wil aan kunst doen. Dus fotografeert hij in de Transsiberië Express mensen alleen “van achter”, dat je wel begrijpt dat er een concept is. Of hij gaat een weekend “embedded” in een busstation om eindeloos portretten van passanten te maken. Zelf zegt hij:

De portretten van de voorbijgangers in het busstation zijn een blauwdruk geworden van mijn fotografische praktijk: daar heb ik geleerd over licht en heb ik geduld leren oefenen om te wachten tot een ontmoeting plaatsvindt. Daar heb ik geleerd om vreemden aan te spreken en de schitterende details vast te leggen waardoor ik werd aangetrokken. Daar werd ik me bewust van de essentiële en alchemistische mogelijkheden van fotografie, waarmee het toeval en het vluchtige kan worden vertaald en vastgelegd.

Een fotograaf die met mensen moet leren omgaan en pas op straat leert hoe hij licht gebruikt… Jaja. Deze Jamie is heus een goede fotograaf, maar hier in huis Marseille kreeg hij de ogenschijnlijk onmogelijke opdracht om meer dan één bladpagina te vullen. Dat lijkt hem in elke ruimte te overvallen. Dus doet-ie een landschapje, wat naakte dikke dames met gekke mutsjes, en ach waarom niet … enkele ruimtes busstation! Ik weet niet hoezeer Huis M begeleidt, maar meer richting geven had wat mij betreft geholpen.

Waakzaam en dienstbaar

Voor de presentatie van Nanne’s nieuwe bundel Permutaties ‘ging ik op chic’ met een zwart pak, wit overhemd en zwarte das. Even ervoor een hapje eten. Collega Ilvy woont in Utrecht en is stamgast bij De Rechtbank, waar zij regelde dat ik ondanks alle drukte toch een tafel voor één kon krijgen. Maar alleen eten, dat ligt jaren achter me. Ook had ik geen boek om me in te verschuilen. Dus dan maar zo nonchalant mogelijk. Er kwam een andere man binnen, die de tafel naast mij had gereserveerd, ook voor één: Antoine Bodar. De man die niet schroomt te spreken over Christus en Zijn Kerk en om zaken bij de naam te noemen. Hij hield het bij bitterballen en twee glazen droge witte wijn. Zo ontspannen kun je alleen maar zijn als je weet dat je wordt beschermd. Hoewel ik vermoed dat hij God als zijn hoeder ziet en niet die uiterst alerte man in dat zwarte pak naast hem.

Recensie Blauw Goud

image

Bundel: Blauw Goud. De Amsterdamse grachten in gedichten

De bundel bevat 92 gedichten.

Het woord gracht staat 26 keer in de titel van een gedicht.
Het woord water staat 6 keer in de titel van een gedicht.
Het woord gracht wordt 161 keer gebruikt.
Het woord water wordt 109 keer gebruikt.

In 74 gedichten staat het woord gracht, in 18 gedichten staat het niet.
In 66 gedichten staat het woord water, in 26 gedichten staat het niet.

In 1 gedicht wordt gracht 15 keer gebruikt.
In 1 gedicht wordt water 8 keer gebruikt.
In 8 gedichten komen beide woorden niet voor.

In 21 gedichten wordt er gerijmd op gracht, met in totaal 26 rijmen.
In 4 gedichten wordt er gerijmd op water, met in totaal 5 rijmen.
In 1 gedicht wordt er 5 keer op gracht en 2 keer op water gerijmd.

De gracht is een:
gordel: 8 keer
zee: 18 keer
spiegel: 24 keer.

Bij een gracht hoort een:
brug: 26 keer
boot: 26 keer.

En 20 keer gebeurt er iets met een fiets.

Het belang van serendipiteit voor flarf

Op de Culture Show van the BBC zag ik een bijdrage van een professor in de sociale psychologie over internet en serendipiteit. Serendipiteit wordt gedefinieerd als het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders. De professor zei dat Google zichzelf graag ziet als serendipity machine, als een machine die de gebruiker oneindig veel resultaten biedt: vondsten die je zelf nooit kon bevroeden. Voor een overgroot deel maakt Google die belofte waar, door tal van bekende en vooral veel onbekende bronnen te ontsluiten. Google ontsluit de digitale wereld.

Maar waarschuwde de prof: Google beïnvloedt die resultaten, door persoonlijke zoekprofielen op te stellen. Zoek ik op Google naar een woordcombinatie, dan zullen de zoekresultaten verschillen van iemand anders die dit googelt. Of de volgorde is anders. Daarmee lijkt een eindigheid aan die oneindigheid te bestaan. Letterlijk ook: want zelden toont Google mij meer dan honderd pagina’s. Misschien ligt dat aan het Nederlands taalgebied, dat veel kleiner is dan het Engels. Dat heb ik gelijk onderzocht, met de woordcombi How to Be. Dat leverde een schamele 82 pagina’s op. En market place nog minder, met maar 72 pagina’s.

Nu gaat het ook niet om kwantiteit. Google mag met de kleine beperkingen die het heeft, mogelijk niet de oneindige bron zijn die het zo graag wil zijn. Voor mij (en voor mijn poëzie) blijft het wel degelijk een serendipity machine. Want geheel naar de letter van de definitie vind ik bijna altijd wat ik niet zoek.

Dat ik vaak op verrassende vondsten stuit, heeft ook te maken met de manier waarop ik op het internet graas. In mijn begintijd waren mijn zoekopdrachten zeer flarf. Met bijvoorbeeld naakte clown zoekt plezier of kippen, koelkasten en kanjers. Dat bracht vooral vreemde gedichten op, waarin samenhang niet belangrijk was. Het moest vreemd zijn, want zo is flarf. Een misvatting bleek later. Ook waren de gedichten die zo ontstonden simpelweg niet goed.

Dat bleek bijvoorbeeld uit een commentaar van Arnoud van Adrichem, nadat ik hem enkele gedichten had gestuurd. Hij schreef dat mijn gedichten krachtige regels en fraaie beelden bevatten, maar dat het spanningsveld tussen ‘mooi’ en ‘lelijk’ taalgebruik hem nog niet overtuigde. Als slecht voorbeeld zag hij deze zinnen:

(‘zooohooooo dat was wederom fucking bruut’, ‘tieten *kuch* + vagina *kuch* + schieten en helikopters / meerrrrrrrrrrrr! meerrrrrr! *fap*fap*fap* *kwijl* / whababwhawa *kwijl*’)

Ik begreep Arnouds standpunt volledig.

Het is de valkuil waarin menig beginnende flarfer in trapt (denk ik). Dat je zomaar wat intypt en zomaar wat maakt, dat voor flarf moet doorgaan. Er zat geen idee achter, en dat is funest voor elke poëzie.

Sinds enige tijd benader ik het flarfen anders. Centraal staat de samenhang, dat gedichten bij elkaar een verhaal vertellen. Geen lineair verhaal, maar een hink-stap-sprong door de tekst. Met elementen die her en der opduiken, maar niet altijd in dezelfde betekenis. Zo verwissel ik bijvoorbeeld graag van perspectief, en wissel dan tussen een ik-vorm, een jij-vorm of een hij- of zij-vorm.

Wat ook veranderde is de zoekopdracht zelf, die nu veel taliger is. Ik zoek bijvoorbeeld op “laten we dit nooit meer” en zoek dan in het zoekresultaat naar het verhaal eromheen.Wat wordt er nog meer gezegd op die pagina, die site, dat forum.

Of ik iets gebruik hangt dan af van het verhaal dat ik wil vertellen, of het daarbij past. Of het resultaat is zo briljant, dat het zelf de basis vormt voor een gedicht. Natuurlijk passend bij hetgeen ik wil vertellen.

Zo bezien, gebruik ik Google dus als serendipity machine. Dat ik iets onverwachts en bruikbaars vind terwijl ik op zoek ben naar iets totaal anders. Daarmee is poëzie niet ongeleid, niet willekeurig, maar is mijn post-flarf een bewust ingezette reis naar het onbekende. Een reis die me hopelijk ooit brengt voorbij de honderd pagina’s die Google mij biedt.