Ruim driehonderd berichten in onze WhatsApp-groep en circa tachtig mails stonden me na de vakantie te wachten. Ik kan me jaren herinneren waarin het aantal mails na vakantie naar de vierhonderd liep, maar in het zakelijk verkeer doet mail er steeds minder toe.

Sjoerd de Jong, ombudsman bij de NRC, ging in op de weigering van een Engelse auteur om geïnterviewd te worden door Nederlandse journalisten. Reden was (ik citeer De Jong) een „ondraaglijk” onderhoud met een verslaggever van de Volkskrant. Toch kwam er een interview, met NRC. In dat gesprek zegt de schrijfster dat ze erop gokt dat de journalist „heel arrogant” haar boek niet had gelezen en maar bleef vragen wat ze vond van identiteitspolitiek.

De Jong vroeg het artikel op, las het en vond het een schurende maar ook openhartige en eerlijke gedachtewisseling, waarna hij zijn column afsluit met de zin: een interview is geen audiëntie, het is ook altijd een – wederzijdse – confrontatie. Een standpunt waar ik het volledig mee eens ben. Opschrijven wat de ander dicteert kan immers altijd nog.

NRC bracht opnieuw een kritisch artikel over president Trump, bij monde van een gepensioneerde ambassadeur. Ik dacht over de vraag waarom de VS juist nu een handelsoorlog zijn begonnen met Europa. De kwestie zelf lijkt klein (subsidie voor Airbus versus subsidie voor Boeing), maar misschien is het zo simpel uit te leggen als Amerikaanse steun voor het VK, dat Amerika Europa dwingt om op twee fronten te vechten. Als de Brexit straks een feit is, zou het me niet verbazen als de importheffingen met een Trump-tweet naar de achtergrond verdwijnen.

Mijn Duitse neef Carsten heeft tot mijn verrassing zijn carrière als financieel adviseur aan de wilgen gehangen, lees ik op zijn blog. Hij reist momenteel geheel alleen door Schotland als Munro Bagger. Munro’s zijn bergen hoger dan 3000 voet en zijn vernoemd naar Sir Hugh T. Munro (1856-1919), die 282 van dergelijke Schotse bergen in kaart bracht; wandelend en klimmend. Mijn neef doet ze aan met zijn WoMo (Wohnmobil), maar is sportief genoeg om er een paar te beklimmen.

Mijn neef is net 53 geworden, even oud als ik ben. Ik wil hem graag vragen waarom hij tot dit besluit is gekomen. Misschien kon het gewoon, zaak van de hand doen en met je gezin van de rente leven. Misschien is het ‘t besef dat je over de helft bent en je nog iets wilt doen, dat je ergens betekenis aan wilt geven. Ik denk niet dat je dat bereikt door 282 Schotse bergen te zien, maar ik vind het een heerlijk onzinnige keuze. Je kunt ook op pelgrimstocht gaan, een motor kopen of naar Drenthe of Groningen verhuizen, maar 282 bergen zien is nutteloos genoeg. Zou ik het doen? Zonder Roos? Geen denken aan, maar er schuilt een romanticus in mij, een man met een hang naar nostalgie. Die zomaar kan kiezen voor iets buitenissigs als een zwerftocht.

3E049313-CE25-4AE9-AB0D-A8F2ED415457Van alle Fransen leest negentig procent elke maand een boek en dertig procent leest elke twee weken een boek, aldus het achtuurjournaal van TF1. Ik vond het goede cijfers en wilde weten hoe veel boeken Nederlanders lezen, maar het rapport Leestijd van het SCP had die cijfers niet. Wel constateert het SCP dat de leestijd bij ons sterk is afgenomen en dat als men leest, dat vooral online gebeurt. In Parijs voldeed ik aan geen enkele norm, wat ik toeschrijf aan het ontdekken van nieuwe buurten (dit keer bij Montmartre en niet bij Chateau d’Eau), nieuwe musea (Marmottan Monet en Fondation Louis Vuitton) en veel restaurantbezoek, met een voortreffelijk menu dégustation bij Le Chateaubriand voor de verjaardag van Roos.

Wat ons opviel was dat we vaak lang moesten wachten voor toegang, wat vorige jaren echt minder was. We stonden ook in de rij voor het Centre Pompidou en waren bijna aan de beurt toen bleek dat we niet in de rij stonden voor het museum, maar in die voor de bibliotheek. Snel naar de goede rij, maar die was twee straten lang, en vier uur later nog even lang, zodat we de tentoonstelling over Francis Bacon moesten missen.

We aten gisteren in Les Philosophes en kwamen in gesprek met een vriendelijk echtpaar uit Bretagne. Het bleken gepensioneerde kippenhandelaren met een pied à terre in het eerste district van zeventig vierkante meter; twee jaar geleden gekocht. We hadden al stevige prijzen gezien, zoals een zolderkamer van amper 18 vierkante meter voor 230.000 euro. Het echtpaar sprak over 15.000 euro per vierkante meter (wij berekenden later dat hun appartement ruim 900.000 euro moet hebben gekost), maar dat het in New York – waar hun zoon werkt – helemaal uit de hand loopt. Een kamer van 40 vierkante meter kost hem 6000 dollar huur per maand. En al die tijd spraken we Frans, wat ons verrassend goed afging. We meenden alleen eet-Frans te beheersen (dat je weet wat je bestelt en dat je dat uit kunt spreken), maar het gesprek verliep vlot. Mede dankzij de lieve dame die haar best deed om rustig te praten.

Bij de tramhalte bij vertrek landde een duif op mijn bemutste hoofd, wat leuk was voor de toeristen die er ook stonden. De duif wilde maar met moeite van mijn hoofd en ging dus toen op mijn rug zitten. Met dat gefladder leek het alsof een vleermuis in mijn nek wilde kruipen. Vervolgens ging ie nog op mijn koffer zitten. Ergens online las ik dat de duif vrede en harmonie brengt en dat de duif je vraagt om je in verbinding te stellen met je hogere zelf, om in harmonie te leven met het universum. Maar dat had ik al gedaan in Puerto de Santa Maria …

De mens van nu leeft in een vrije, veilige en toegankelijke wereld, stellen de makers van VPRO Tegenlicht. Toch ervaren we de wereld als chaotisch en complex, door de vele prikkels en complexe informatie. We gebruiken er woorden voor als crisis, dreiging, risico, schaarste en schaamte. Ook in onze week Andalusië ontkwamen we niet aan het nieuws over het jaar 2100 waarin West-Nederland onder water staat en zagen we op tv dat er onrust is in (een nog niet onafhankelijk) Catalonië. Meer complexiteit bood onze week in Puerto de la Santa Maria niet. Het waren dagen vol lethargie – van slapen, eten, drinken, een uitstapje, lezen of wandelen naar de supermarkt of een restaurant. Dit stap-voor-stap-leven was nodig, vonden we, want het was het halfjaar ervoor druk genoeg. En we merkten dat vakantie voor ons nooit betekent dat je je hoofd leegmaakt, maar dat we door afwezigheid van gebruikelijke prikkels juist openstaan voor nieuwe indrukken. Op vakantie zien we scherper, smaakt alles beter, zijn we nog liever voor elkaar. Dat belooft wat voor komende week, als we Parijs aandoen. A bientôt.

Een paar maanden geleden kondigde ik het definitieve einde aan van mijn jonge jaren, toen een jongeman in de metro mij herhaaldelijk zijn plek aanbood om te zitten. Het waren de omstandigheden besef ik nu, dat er geen andere senior in de buurt was die ouder en behoeftiger oogde. Nu is vandaag op de 50PlusBeurs, waar ik voor het werk was, bij een stand die ouderen wijst op de gevaren van cybercrime. De stand stond naast ’s werelds beste stoomstrijkijzer, Max en de KBO-PCOB: de grootste seniorenbond in Nederland. Die heeft speerpunten als zingeving en digitalisering, maar het leidde niet tot samenwerking met ons.

Collega’s prezen me bij terugkomst dat ik als 53-jarige mijn vijftigplus-zijn nu al omarm, dat ik ervoor durf uit te komen. Ik vrees dat ik dit jaren moet aanhoren, wat bovenop de lopende spot komt dat ik op Paulus de Boskabouter zou lijken. Eén collega schept een sardonisch genoegen in die vergelijking en heeft een plaatje van Paulus op zijn mobiel, dat als ik bel hij kan lachen. En steevast doet hij daarna Eucalypta na. O, kon ik maar de spot terugdrijven…

Een marketingdame van Max kwam ook langs. Ze zei dat het jammer was dat we die mascotte niet hadden meegenomen. Harm Alarm probeerde ik, maar nee, dat was het niet, zei ze met klem. Ze zocht wat op haar mobiel en vond een plaatje van Harm Alarm. ‘Dat is hem’, zei ze trots. ‘Die had hier moeten staan.’ Ik kan hem wel nadoen (Ik blijf het toch zeggen) zei ik, ‘maar Harm Alarm is bedoeld voor woninginbraken.’

Onze standhouder verzuchtte dat ze de vrijkaarten niet aan de straatstenen kwijt raakte. Een paar jaar geleden was haar moeder na wat aarzelingen toch gegaan, maar ontzet teruggekeerd dat ze op de beurs ook grafkisten hadden. Die zag ik vandaag niet. Wel een kek modelletje rollator, voor Paulus de Rolkabouter.

aaaaaVaktaal kan lelijk zijn, hologig, maar dat wisten we al door Japke-d. Bouma. Tijdens een workshop zei de leidster dat we mensen in hun kracht moesten zetten, waarna ze snel aanvulde ‘dat we dat vast een vreselijke term vinden.’ Later sprak ze van bedrijfshygiëne, wat zoveel betekent dat je de zaken op orde hebt, dat er mensen zijn die wat is bedacht ook uitvoeren. Teksten plaatsen, content-pagina’s maken. De workshop waaierde uit in groepjes om aan de slag te gaan met de opdracht: een vel papier met termen en of we die wilden aanvullen. We klooiden wat aan, maar na afloop werden we bedankt voor onze inzichten en waardevolle input. ‘Hier kunnen we verder mee’, sprak de leidster hoopvol.

Ik vind workshops erger dan jargon. Dat je mensen met verschillende achtergronden bij elkaar zet en vrijelijk praat over het onderwerp is wel oké, creatief wellicht, maar het moet altijd iets opleveren, wat op zijn slechtst een A0 is vol post-its. Ik heb gezien dat mensen van die post-its een coherent verhaal moesten maken, wat deelnemers bij de evaluatie op een vijfpuntsschaal weer beoordeelden. Feitelijk beoordeel je jezelf. Het heeft vast te maken met de naderende vakantie en een korte stop op enthousiasme en andere blije concepten.

Ik zag gisteren een documentaire over een kunstenares die wandtapijten maakt. Op een daarvan zag ik in een flits de (Engelse) woorden parachute hermafrodiet, waarna ik een wonderlijk wezen zag en de mogelijkheden in taal. En in de NRC stond een beeld van Elisabet Stienstra bij Beelden aan Zee, dat ook wonderlijk was en ideeën oproept. Misschien is dat iets een volgende vakdag: ergens voor openstaan in plaats van iets voorgeschreven krijgen. En ja, ik besef de ironie van deze uitspraak …

meneerOoit schreef ik op Facebook dat ik geen energie kreeg van een vakdag communicatie, wat me kritiek opleverde, want over interne zaken mocht je niets naar buiten brengen. Maar de tijden zijn veranderd of ik, want ik voel me vrij om te schrijven over de vakdag die we vandaag beleefden: in de koepelgevangenis van Breda, wat een toffe locatie is. Ik keek er stiekem naar uit, want ik heb zes jaar in Breda gewoond, maar kwam nooit terug, tot vandaag. Ik ging niet direct naar de congreslocatie, maar wandelde eerst over mijn oude stomping ground en zag veel veranderd. De kroeg waar ik werkte is niet meer, evenmin de disco aan de rand van het centrum waarvan je lid moest worden. De Graanbeurs is er nog wel en in de Boerenstamppot krijg je nog steeds een maaltijd voor een tientje. Verder oogde alles kleiner dan ik me herinnerde en er is veel oude zooi tegen de grond gegaan, met name rond het stationsgebied. Ook Breda gaat vooruit.

De vakdag stond in het teken van intern communiceren, dat al snel wordt gezien als iets van de afdeling communicatie, maar die is verantwoordelijk voor maar tien procent van alle communicatie van een bedrijf. Eenmaal binnen de poorten werden we onderworpen aan een gevangenisregime, van bevelen opvolgen, langs de muren lopen, stilstaan, de lijn tussen je benen, nog eens stilstaan, in rijen lopen en vooral je smoel houden, blaften cipiers ons toe; op straffe van geen toezicht in de doucheruimte. We kregen een overall, werden ‘opgesloten’ in een cel en de directeur schreeuwde ons toe dat hij God was, wat goed uitkwam want ik zeg hem nooit. God is Henk Keijzer en hij draagt een zwart pak.

Het hoe en waarom van deze exercitie ontging menigeen, fluisterden collega’s me toe, want ik sta bekend als scepticus en zou vast een vilein commentaar geven. Vandaag niet. Vandaag was ik murw geslagen. Het middagprogramma gaf meer houvast, meer inbreng, maar de energie was weg. Einde middag stond er nog een spel van een uur op de rol, waaraan ik me heb onttrokken. Als enige dacht ik, maar op weg naar het station haalde ik wat collega’s bij die ook waren ontsnapt. Ik vroeg nog wat zij ervan vonden, maar kreeg weinig terug.

Welke naam wil je voor de komende tien jaar dragen, bulderden de bewaarders eerder, want onder je eigen naam kun je maar beter niet bekend staan. Ik dacht aan Blade, Fendershave, maar koos voor ‘meneer’. Het was een laatste daad van beschaving.