In Flachau zei ik tegen de man van de zuster van Roos dat we elkaar weliswaar kennen maar dat er geen woord is voor onze relatie. Wij zijn zogenoemd van de koude kant, wel vrienden, maar geen familie, feitelijk niets meer dan kennissen. Wat apart is voor een relatie die dieper gaat dan de vluchtigheid van iemand die echt een kennis is. Hetzelfde gebeurt bij overlijden. Je bent een wees als je ouders sterven, een weduwe of weduwnaar als je geliefde sterft, maar als de ouders eerder sterven dan het kind, is het kind dan een weduwkind? Of als de ouders het kind overleven… is daar een woord voor?

11 april

Op onze laatste dag als kinderen aten we een vlinder
de schaduw ervan, waaruit niets kan ontsnappen.
Het had te maken met modernere eigenschappen
in de schedel met daarin een tekstregel

het zal bij ons nooit vrolijk zijn, we moeten het doen
met een briefing over wat er met ons gebeurt. We volgen
het algoritme en de data die beschikbaar zijn.

Ik schoof een doos tissues naar me toe, een man
die het verschil tussen rechts en links niet kent
die net mocht drinken, dan belde ik iedereen op
en liet ik een voicemail achter, iets dynamisch
waarin je de andere kant van de wereld hoort.

Na wat struinen door de boekwinkel zie ik achter de toonbank nog twee exemplaren van Grand Hotel Europa van Pfeijffer waarvan ik er één koop. De verkoopster is er lyrisch over en dat ie niet aan te slepen is. Ik probeer: beter dan La Superba?, wat ik een goed boek vond. ‘Vergeleken met deze is La Superba een lachertje’, zegt ze. ‘Nee, het is La Superba in het kwadraat. Zoooo goed.’

Het was een productief dagje: een kort zonnebankbezoek (een vrouwelijke collega vindt dat gek genoeg heel gay van me), stofzuigen, boodschappen gedaan, mijn werkrooster aangepast want ik had mijzelf in een vakantie gepland, getankt, daarna door naar mijn vader. Hij is monter en blij met mijn bezoek. Of hij nog naar de overkant verhuist, vraag ik, naar het rusthuis, maar dat wijst hij resoluut van de hand: ‘Ik woon hier prima.’

Daarna nog de auto laten wassen, de krant gelezen. Today was a good day, i didn’t have to use my AK…

Hoewel het kouder was dan gedacht, heb ik vandaag een flink stuk gefietst. Ik moest mijzelf opladen van een intensieve week die werd afgesloten door een vakdag van het werk. Een dag vol communicatieadviseurs tussen wie ik mij als redacteur altijd verloren voel. Ik besef, dat ligt helemaal aan mij: ik ben altijd kritisch, wil hoofd- en bijzaken niet scheiden als dat betekent dat zaken niet goed gebeuren. Ik wil weten waarom we dingen doen zoals we ze doen. En dat past niet op een dag, waarmee een jaar wordt afgesloten, waarop mensen en projecten gevierd worden.

Tijdens een interactieve sessie kwam de stelling dat de teams niet goed samenwerken, waarmee bijna negentig procent het eens was. Het programma bood geen ruimte om daarop in te gaan. Ik moest één keer gniffelen toen een collega tijdens dat interactieve deel een compliment wilde geven aan alle harde werkers, wat harde wekkers werd. Een wake up call die niet kwam.

Ik ben al dagen onderweg voor een artikel over verzuim en vind het heerlijk. Vrijdag was ik in Driebergen, maandag in Sprang-Capelle, morgen Zaandam en vandaag Maastricht, waarvoor ik ruim vijf uur onderweg was. In de trein zat een hip duo dat lachgaspatronen gebruikte, wat gepaard gaat met een hard sissend geluid. Naar wat de jongen hardop zei leek hij me niet al te snugger (but who cares if you’re hip) en daar gaat het lachgas vast geen verbetering in brengen. Maar het is zijn brein.

Ik was een halfuur te vroeg op bestemming, vroeg aan de baliemedewerkster of de kantine nog open was, wat zo was. Zij zou mijn afspraak bellen dat ik wat later zou komen. Ze waren echter niet bekend met de westerse lunch, waar een broodje naar binnen duwen niet lang duurt. De dame was verrast door mijn snelle terugkeer, zo ook mijn afspraak. Het leidde een goed en mooi gesprek in, wat ook geldt voor die andere  gesprekken. Morgen het laatste interview en dan als de wiedeweerga uitwerken. De deadline nadert. Wee mij 😉

Ik hoorde in het journaal een prozaïsche zin, van een dame die Boeing gaat aanklagen:

Een vliegtuig die veiliger hoort te zijn dan onze benen op straat.

Hannekes Boom was te druk (toeristen hebben het ontdekt) zodat we uitweken naar het terras bij Pension Homeland, wat erg lekker was, zo in de zon, met een speltbiertje uit eigen brouwerij. En ach, zet er nog maar één bij en een portie bitterballen. Ik had het verdiend, vond ik, na een bescheiden fietstocht. En Roos verdient het altijd.

Thuis lag er een pakketje klaar, uit Frankrijk, met de in Amerika gedrukte bundel van Ton van ’t Hof. Later die dag blogde hij dat zijn vader die dag is overleden. Ook een man uit 1933, zoals mijn vader, die nog steeds door het leven rolt; hoewel fragiel. Ik dacht toen aan de dood en vond deze woorden van John Asbery.

Bloeiende dood

Alvast vooruit, beginnend vanuit het hoge noorden, dwaalt het af.
Zijn radijs-sterke benzinedampen zijn waarschijnlijk vergrendeld
in je neusholtes terwijl je weg was.
Je zult het moeten afleveren.
De bloemen leven ​​op de rand van de adem, losjes,
Daar neergelegd.
Het ene onderbreekt het ander,
Of dat er een symmetrie in hun bewegingen zal zijn
Waarmee ieder ook een individu is.

Maar het is hun collectieve leegheid
die een idee verraadt van iets dat niet vernietigd mag worden.
En hierin, door hoeveel feiten we ook zijn gevallen
glinstert daar toch de oude gevel,
Een luchtspiegeling, maar permanent. Eerst moeten we het idee misleiden
naar het bestaan, om het dan te ontmantelen,
De stukken op de wind verstrooien,
Zodat oude vreugde, bescheiden als taart, als wijn en vriendschap
uiteindelijk bij ons zal blijven, gesteund door de nacht
Wiens kunstgreep het zijn uiteindelijke betekenis gaf.

Het origineel

Flowering Death

Ahead, starting from the far north , it wanders.
Its radish-strong gasoline fumes have probably been
Locked into your sinuses while you were away.
You will have to deliver it.
The flowers exist on the edge of breath, loose,
Having been laid there.
One gives pause to the other,
Or there will be a symmetry about their movements
Through which each is also an individual.

It is their collective blankness, however,
That betrays a notion of a thing not to be destroyed.
In this, how many facts we have fallen through
And still the old facade glimmers there,
A mirage, but permanent. We must first trick the idea
Into being, then dismantle it,
Scattering the pieces on the wind,
So that the old joy, modest as cake, as wine and friendship
Will stay with us at the last, backed by the night
Whose ruse gave it our final meaning.

De medische wereld leeft van ontkenningen. Geen obesitas, geen hypertensie, geen afwijkende bloedwaarden, noteert de oncoloog. En er staat in mijn dossier een grote niet, zegt ze, waarna ze uitlegt dat het niet klopt dat genoteerd werd dat de vlekken in mijn longen door de chemokuur van negen jaar geleden zijn verdwenen. Het was immers geen uitgezaaide teelbalkanker, maar sarcoïdose. En dat verdwijnt niet door de chemo, maar verdwijnt (in mijn geval) vanzelf. Andere patiënten krijgen hormoonkuren.

Volgend jaar is formeel de laatste controle. Dan word ik hopelijk genezen verklaard. Toch sluimert er een risico in mij, helaas versterkt door de chemo. Mijn cholesterol was vorig jaar namelijk te hoog. Gek genoeg kan ik mij die uitkomst niet herinneren. Dit jaar is het cholesterol niet gemeten, dat gebeurt pas volgend jaar. Mijn arts hoopt dat ie dan onder de 5 zit. Ik verzuim te vragen hoe hoog het dan was en lees later online dat je een hoog cholesterol hebt als je boven de 5 mmol/l zit. Boven de 8 mmol/l is het zelfs sterk verhoogd. En dat kan leiden, zegt de arts voorzichtig, tot een hartinfarct.

Mijn arts wil voorkomen dat ik ‘aan de medicijnen moet’ om het cholesterol te verlagen. Een dieet kan helpen. Ik ben niet ongerust, maar thuis merk ik irritatie dat het ene het andere in de hand werkt. Dat het predicaat volledig gezond niet voor mij opgaat. Zelfs al voel ik me sterk, gezond en vitaal. En gelukkig… laat ik dat niet vergeten.