aaaaaVaktaal kan lelijk zijn, hologig, maar dat wisten we al door Japke-d. Bouma. Tijdens een workshop zei de leidster dat we mensen in hun kracht moesten zetten, waarna ze snel aanvulde ‘dat we dat vast een vreselijke term vinden.’ Later sprak ze van bedrijfshygiëne, wat zoveel betekent dat je de zaken op orde hebt, dat er mensen zijn die wat is bedacht ook uitvoeren. Teksten plaatsen, content-pagina’s maken. De workshop waaierde uit in groepjes om aan de slag te gaan met de opdracht: een vel papier met termen en of we die wilden aanvullen. We klooiden wat aan, maar na afloop werden we bedankt voor onze inzichten en waardevolle input. ‘Hier kunnen we verder mee’, sprak de leidster hoopvol.

Ik vind workshops erger dan jargon. Dat je mensen met verschillende achtergronden bij elkaar zet en vrijelijk praat over het onderwerp is wel oké, creatief wellicht, maar het moet altijd iets opleveren, wat op zijn slechtst een A0 is vol post-its. Ik heb gezien dat mensen van die post-its een coherent verhaal moesten maken, wat deelnemers bij de evaluatie op een vijfpuntsschaal weer beoordeelden. Feitelijk beoordeel je jezelf. Het heeft vast te maken met de naderende vakantie en een korte stop op enthousiasme en andere blije concepten.

Ik zag gisteren een documentaire over een kunstenares die wandtapijten maakt. Op een daarvan zag ik in een flits de (Engelse) woorden parachute hermafrodiet, waarna ik een wonderlijk wezen zag en de mogelijkheden in taal. En in de NRC stond een beeld van Elisabet Stienstra bij Beelden aan Zee, dat ook wonderlijk was en ideeën oproept. Misschien is dat iets een volgende vakdag: ergens voor openstaan in plaats van iets voorgeschreven krijgen. En ja, ik besef de ironie van deze uitspraak …

meneerOoit schreef ik op Facebook dat ik geen energie kreeg van een vakdag communicatie, wat me kritiek opleverde, want over interne zaken mocht je niets naar buiten brengen. Maar de tijden zijn veranderd of ik, want ik voel me vrij om te schrijven over de vakdag die we vandaag beleefden: in de koepelgevangenis van Breda, wat een toffe locatie is. Ik keek er stiekem naar uit, want ik heb zes jaar in Breda gewoond, maar kwam nooit terug, tot vandaag. Ik ging niet direct naar de congreslocatie, maar wandelde eerst over mijn oude stomping ground en zag veel veranderd. De kroeg waar ik werkte is niet meer, evenmin de disco aan de rand van het centrum waarvan je lid moest worden. De Graanbeurs is er nog wel en in de Boerenstamppot krijg je nog steeds een maaltijd voor een tientje. Verder oogde alles kleiner dan ik me herinnerde en er is veel oude zooi tegen de grond gegaan, met name rond het stationsgebied. Ook Breda gaat vooruit.

De vakdag stond in het teken van intern communiceren, dat al snel wordt gezien als iets van de afdeling communicatie, maar die is verantwoordelijk voor maar tien procent van alle communicatie van een bedrijf. Eenmaal binnen de poorten werden we onderworpen aan een gevangenisregime, van bevelen opvolgen, langs de muren lopen, stilstaan, de lijn tussen je benen, nog eens stilstaan, in rijen lopen en vooral je smoel houden, blaften cipiers ons toe; op straffe van geen toezicht in de doucheruimte. We kregen een overall, werden ‘opgesloten’ in een cel en de directeur schreeuwde ons toe dat hij God was, wat goed uitkwam want ik zeg hem nooit. God is Henk Keijzer en hij draagt een zwart pak.

Het hoe en waarom van deze exercitie ontging menigeen, fluisterden collega’s me toe, want ik sta bekend als scepticus en zou vast een vilein commentaar geven. Vandaag niet. Vandaag was ik murw geslagen. Het middagprogramma gaf meer houvast, meer inbreng, maar de energie was weg. Einde middag stond er nog een spel van een uur op de rol, waaraan ik me heb onttrokken. Als enige dacht ik, maar op weg naar het station haalde ik wat collega’s bij die ook waren ontsnapt. Ik vroeg nog wat zij ervan vonden, maar kreeg weinig terug.

Welke naam wil je voor de komende tien jaar dragen, bulderden de bewaarders eerder, want onder je eigen naam kun je maar beter niet bekend staan. Ik dacht aan Blade, Fendershave, maar koos voor ‘meneer’. Het was een laatste daad van beschaving.

Ik meende dat het Wikileaks was die alle meldingen, telefoontjes en oproepen rond 9/11 naar buiten bracht. Van alle Engelse opnamen maakte ik een verkorte versie die ik door Babelfish liet vertalen tot dit ‘gedicht’, dat ik elk jaar opnieuw publiceer.

Het dwingt me om verder te gaan.
Het was 08:46 uur.
We hoorden gebulder boven ons.
Door al die wolkenkrabbers zagen we niet waar het vandaan kwam.
Ik keek omhoog.
Ik dacht: Waar gaat die naartoe?
Niemand vliegt zo laag boven Manhattan.
We keken allemaal omhoog.
Iedereen probeerde met z’n lichaam het vliegtuig te besturen.
Ze probeerden de koers te wijzigen met hun lichaam.
Het ging gewoon…
Het was alsof het gebulder je lichaam binnendrong.
Ik vergeet nooit wat ik voelde toen het gebouw werd geraakt.
Het was alsof iemand alle zuurstof uit m’n longen en m’n hoofd perste.
Ik voelde me licht in m’n hoofd.
Het was net een droom toen het vliegtuig het gebouw ramde.
Alsof er een roos op was geschilderd.
Hij raakte hem precies.
We sprongen meteen de wagens in en reden naar het WTC.
Bij aankomst zag ik dat er twee of drie verdiepingen in brand stonden.
Het leek alsof er dikke rookwolken uit de bovenste verdiepingen kwamen.
Ik schatte in dat er drie verdiepingen hevig in brand stonden en dat het vuur zich verspreidde naar de andere verdiepingen.
In totaal was er dus op vijf of zes verdiepingen brand uitgebroken.
In een dergelijk gebouw is dat bijna onmogelijk te blussen met de middelen die wij op dat moment tot onze beschikking hadden.
Ik had niet verwacht dat de schade in de foyer zo enorm zou zijn.
Ik zag allemaal mensen en lijken.
Ik zag verbrande en gewonde personen.
Ik was er niet op voorbereid.
Ik was er totaal niet op voorbereid.
We kwamen aan bij het WTC.
We parkeerden de wagen en ik wierp een blik op de situatie.
Ik keek rond en ik wist dat dit heel ernstig was.
Ik zag een vrouw die in de middenberm van West Street zat.
De berm was zo’n halve meter hoog, met wat gras.
Zoals ze daar zat, was ze net een klein Boeddhabeeldje.
Het was een oosterse vrouw, meen ik.
Ze was zeer ernstig verbrand. Ze zat daar doodstil.
Alleen haar ogen bewogen, en we keken elkaar recht aan.
Naast haar lag een vrouw op haar buik.
De achterkant van haar rug en haar benen waren geheel verbrand.
Ik bedacht dat ze uit de foyer waren geslingerd.
Alle ramen waren kapot.
De foyer telt zes verdiepingen.
Het was alsof er een bom was ontploft.
Alle ruiten waren kapot.
Marmeren panelen van drie vierkante meter die ooit onderdeel van een muur waren geweest waren losgekomen van de muren van het WTC.
Er hingen kapotte lampen bij de grond.
Helaas waren er veel mensen in de foyer aanwezig.
Ze lagen in vreemde posities, ze waren helemaal zwart.
Ze zakten weg waar we bij stonden.
Zodra ik de eerste deur opendeed, zag ik twee mensen op de grond liggen.
Ze werden verzwolgen door vlammen.
Ik snapte dat er boven meer slachtoffers moesten zijn.
Ik wilde meteen naar boven.
Maar ik kon die mensen daar niet laten verbranden.
Ik had vlak daarvoor een werknemer van het Havenbestuur gezien.
Hij had een brandblusser bij zich.
Hij stond verdwaasd te kijken.
Ik vroeg hem of de blusser vol was.
Ja, zei hij.
Ik nam de blusser mee en ging terug.
Ik bluste de twee brandende mensen.
Ik liet de brandblusser liggen en ging m’n brandslang halen.
Daarmee ben ik het gebouw weer ingegaan.
De dienstlift was weggeblazen.
Je zag alleen de liftschacht nog.
Er is vast een soort vuurbal door de schacht naar beneden gekomen en de foyer ingevlogen.
Daardoor zijn die mensen verbrand.
Het geluid van een alarmbel is normaal.
Dat geluid ken je.
Het geluid van vallende mensen is verre van normaal.
Het maakte een heel hard geluid.
Het was zeer beangstigend voor iedereen in de hal.
Het gebeurde ongeveer een keer per minuut.
Je hoorde het geluid van een lichaam dat neerkwam.
Het was luid, je wist meteen wat het was.
Mensen begonnen te springen.
Het duurde misschien drie minuten voor ik het eerste lichaam zag.
Ik zag een man, een vrouw.
Het waren er veel.
Er lagen zo’n vijftien tot twintig mensen.
Aan de kant waar ik stond, lagen er vijftien tot twintig.
Je moest omhoog blijven kijken.
Zo niet, dan kon je worden geraakt door glas of een persoon.
Zo ernstig stond het er voor.
Het was bizar.
Je wachtte gewoon op het geluid.
Het was alsof er een vuurwerkbom tegen de grond sloeg.
Het was onmogelijk om te zien wat het was.
Je zag dat het een lichaam was, maar niet of het een man of een vrouw betrof.
Je zag een massa ingewanden op de grond.
Dat zal ik nooit vergeten.
Ik dacht dat ze uit het vliegtuig kwamen.
Dat luchtte me op.
Misschien waren ze eruit gezogen, en waren ze al dood.
Maar toen viel er een man uit de noordelijke toren naar beneden.
Tijdens z’n val zwaaide hij met z’n armen.
Toen besefte ik pas dat er mensen naar beneden sprongen.
Ze waren nog niet dood, ze sprongen zelf naar beneden.
Ik voelde me enorm machteloos.
Sommige mensen vielen zonder zich te bewegen.
Anderen bewogen met hun armen en benen.
De angst die deze mensen zover bracht, moet ongelooflijk zijn geweest.
Ze sprongen alleen vanaf de verdiepingen boven de inslag.
Het was bovenin.
De hitte moet enorm geweest zijn.
Het was een zware klus.
Onze grootste zorg was dat er op twintig verdiepingen mensen aanwezig waren en dat we die eruit moesten zien te krijgen.
We begonnen met de reddingsoperatie.
Het probleem was alleen dat de liften kapot waren.
We moesten de trappen nemen.
We moesten minstens zestig verdiepingen omhoog.
Misschien wel meer.
We wisten niet op welke verdieping het gebouw was getroffen en of er brandstof naar beneden lekte en het vuur groter maakte.
We begonnen gewoon.
De 80e verdieping was de hoogste van waaruit iemand was weggekomen.
Die was dus nog intact.
Er waren enkele gewonden.
Bij diverse mensen was het haar verschroeid en hingen de vellen eraf.
Maar niemand was in paniek.
Dat maakte de evacuatie een stuk makkelijker.
Mensen droegen slachtoffers naar beneden.
Ik kwam een blinde man met een hond tegen.
Ze werden naar beneden geholpen door een man.
Ik vroeg hem of hij bij die man zou blijven.
Dat zou hij zeker, zei hij.
Het was een werknemer uit het gebouw.
Dat was erg indrukwekkend.
Die man had ook weg kunnen rennen.
Daar had hij alle reden toe.
Maar hij koos ervoor om iemand te helpen.
Dat deden meer mensen.
Dat maakte veel indruk.
Ik voelde me machteloos.
Mensen kwamen verbrand naar beneden.
We moesten naar boven toe om mensen te helpen.
En ik… Ik betreur het dat ik niet sneller boven ben gekomen maar ik droeg een brandslang.
Het was voor mij onmogelijk om sneller naar boven te gaan.
Ik wist dat het zou lukken, maar het zou even duren.
We hadden onze handen vol.
Ik wist dat er al veel mensen dood waren.
Dat besef… en de gedachte aan wat zich boven afspeelde veroorzaakte een golf van angst.
Die angst ging door hart en ziel.
Het was een vreselijk gevoel.
Ik vond het zo eng omdat ik nooit zoiets had meegemaakt.
Ik heb in situaties gezeten waarbij collega’s het benauwd kregen.
Dan wist ik ze met m’n blik te kalmeren.
Je bent afhankelijk van elkaar.
Maar als acht mannen allen dezelfde blik hebben dan weet je dat er iets goed mis is.
Dat wisten we zeker want het gebeurt nooit dat iedereen bang is.
Op dat moment hoorden we een enorme explosie.
We renden onmiddellijk weer richting het trappenhuis want ik had gezien wat er met de lift in de hal was gebeurd.
Ik zei: Als er nog een explosie volgt…
Ik was geen moment bang dat de torens in zouden storten.
Ik was wel bang voor ’n tweede explosie of zelfs een tweede vliegtuig.
Ik keek omhoog en zag het tweede vliegtuig crashen.
Het kwam vanuit het westen aangevlogen.
Het draaide zo op z’n zij en maakte een bocht.
Het verdween achter de eerste toren en even later ontplofte het gebouw.
Het was alsof de wereld verging.
Het is moeilijk uit te leggen.
Ik was verstijfd.
Ik wist niet wat ik moest denken.
Ik dacht dat er meer vliegtuigen zouden komen en dat er bommen zouden vallen.
Ik wist niet in hoeverre we waren ingesloten.
Dat ging er door m’n hoofd.
Het gebouw begon te schudden
Ik hoorde een luide knal.
Ik stond aan de balie van de zuidelijke toren.
Ik liep niet naar buiten.
Ik liep naar de deuropening waar allemaal glas lag.
Ik keek naar buiten, en op een gebouw zag ik een schaduw bewegen.
Ik zag een schaduw naar beneden komen.
Ik dacht dat het de andere toren was, dus ik bleef.
Ik draaide me om en we renden allemaal naar binnen.
We liepen om een hoek naar links.
De meesten van ons deden dat.
Het was alsof ik geraakt werd door een trein door de luchtdruk en de stofwolken.
Ik duwde jou en een aantal anderen de hoek om bij een muur.
Op dat moment werd het in de foyer en in de ruimte waar wij zaten helemaal zwart.
Je zag geen hand meer voor ogen.
Het hele gebouw begon hevig te schudden.
Het was alsof je in een trein zat.
Ik heb nooit een aardbeving meegemaakt maar zo voelde het.
Je werd echt heen en weer geschud.
We keken elkaar aan.
We bevonden ons op zeven meter van de trap, daar renden we heen.
Een trappenhuis leek ons veilig, vanwege de stevigheid.
Ik wist niet wat ik kon verwachten.
Misschien stortte het gebouw wel in.
Ik had geen idee.
Het gebouw schudde heen en weer.
Ik stuiterde van de ene muur tegen de andere.
Tegen de muur aan de andere kant van de hal.
De lichten vielen uit, en er kwam stof en puin uit de trappenhuizen B en C.
Stukken van het plafond kwamen naar beneden.
Het enige licht dat er was, was de noodverlichting in de gang.
Ik dacht dat er slechts op een plaats iets was ingestort.
Op de 30e verdieping hoorden we weer een explosie.
We hoorden een stem op de radio zeggen: ‘De 64e verdieping is boven op de 63e verdieping geklapt.’
We dachten dus dat dat die explosie was.
Ik weet niet of dat ook echt zo was.
We wisten niet dat de andere toren was ingestort.
Dat wisten we helemaal niet.
Anders waren we onmiddellijk weg geweest.
Ik weet nog dat ik zei: Dit ziet er niet best uit.
We zitten goed in de problemen.
We kwamen weer tot onszelf, en toen werd het stil.
Je hoorde niets meer op de radio en ik zei tegen m’n mannen:
Nu staan we er alleen voor.
Na dertig seconden was het voorbij.
We waren nog in leven dus we vroegen ons af wat we moesten doen.
We wilden weer naar boven.
En dat deden we ook.
Toen klonk het noodsignaal om de toren te verlaten.
Ik wist dat we weg moesten.
Ik hoorde m’n baas roepen en ik hoorde aan z’n stem dat het helemaal mis was.
We moesten hier weg.
Het was een lange weg naar beneden.
We liepen de trappen af.
Er waren nog wat burgers, maar niet veel meer.
Ik zei dat ze weg moesten gaan.
Ik kwam brandweermannen tegen die uit zaten te rusten en ik vertelde ze van het noodsignaal, dat ze moesten vertrekken.
Maar velen van hen namen het niet serieus.
Het was als in zo’n droom, als je vlak bij je doel bent.
Ik had het gevoel dat er iets ging gebeuren.
Toen ik de 3e verdieping bereikte dacht ik aan m’n gezin.
Toen wilde ik echt weg.
Toen we de foyer bereikten, wisten we niet wat we zagen.
Er was helemaal niemand meer te zien.
Alsof de wereld was vergaan.
Je zag alleen maar brokstukken.
Mijn god, dacht ik, wat is hier gebeurd?
Toen we naar buiten liepen, was de toren weg.
Ik verkeerde in een shocktoestand.
Het was ongelooflijk.
Je kunt het nog het best omschrijven als een maanlandschap.
Stof en beton.
Toen ik een uur daarvoor omhoog liep, was diezelfde plek het toneel van een massaslachting, vol lijken en verwoesting.
Het was een gruwelijk gezicht.
Alles waar terrorisme voor staat, lag daar beneden.
Toen ik beneden kwam, was alles kalm en rustig.
Er was niemand meer.
Op de grond lag een laag stof.
Ik vroeg me even af of ik nog leefde, of dat ik misschien dood was.
Zo stil was het.
Je hoorde helemaal niets.
Toen ik buiten kwam zag ik het Marriott aan de linkerkant.
Het was volledig verwoest.
Overal op straat lagen brokstukken.
Het was net een beeld uit een oorlog.
Ik kon m’n ogen niet geloven.
Ik zal het nooit meer vergeten.
Ik keek omhoog en zag hoe de zuidelijke toren instortte.
Ik begon de West Side Highway af te rennen.
Ik dacht: hoe kan ik in godsnaam snel genoeg zijn?
Het donderende geluid kwam dichterbij.
Het was net een aardverschuiving.
De ene verdieping klapte op de andere.
Zo stortte het gebouw helemaal in elkaar.
Vanuit elke verdieping kwam een rookwolk naar buiten.
Ik geloofde m’n ogen niet.
Ik rende over West Street en zag een enorme rookwolk op me af komen.
Ik dacht: ik kan onmogelijk sneller zijn dan die rook.
En toen begon het puin te regenen.
Ik dacht dat ik levend begraven zou worden.
Ik ging boven op een betonnen muur staan zodat ik hoger zou blijven dan die laag puin.
Ik wist niet wat er precies gaande was.
Toen werd ik geraakt door brokstukken.
Het voelde alsof ik in m’n rug werd gestompt.
Na enkele seconden kreeg ik iets tegen m’n hoofd.
M’n helm werd eraf geslagen.
Ik bedacht dat ik op moest staan en weg moest wezen want m’n hoofd was onbeschermd.
Ik stond op en rende weg.
Ik liep in noordelijke richting op West Street maar werd opnieuw geraakt
door een stuk puin.
Ik stond enkele seconden volledig verstijfd van verbijstering.
Dit kon niet waar zijn.
De Twin Towers die instorten?
Bij die bomaanslag bleven ze gewoon staan.
Ik begon weg te rennen, met m’n masker en de uitrusting bij me.
Ik was moe van het op en af rennen van dertig verdiepingen.
Ik rende voort.
Een half blok verder keek ik om.
Ik zag niemand achter me.
Ik rende door, nog een half blok.
Ik zag dat het stof me zou inhalen.
Ik dacht: ik ben nooit snel genoeg.
Ik dook naar de grond.
Ik overwoog om onder een auto te gaan liggen maar als de tank door iets zou worden geraakt, was ik er geweest.
Ik begaf me naar het midden van de straat en zocht dekking.
Ik werd eerst geraakt door een golf hete lucht.
Ik wist zeker dat er een vuurbal achteraan zou komen.
Ik dacht dat ik daar op straat zou verbranden.
Na ongeveer een halve minuut ging ik op m’n knieën zitten.
M’n handen zaten er nog aan.
Ik stond op, m’n benen had ik ook nog.
Alles leek er nog aan te zitten.
Het was pikdonker.
Het leek wel middernacht.
Ik ademde in, en het was alsof ik m’n gezicht in een zandbak stak.
Ik kreeg alleen maar stof binnen.
Ik slikte het door.
Ik kreeg het benauwd.
M’n mondkapje zat vol stof.
Ik schudde het stof eraf en zette het op.
Dat hielp.
Ik had m’n zaklamp bij me.
Ik liep richting het noorden.
Ik had geen idee waar ik was.
Het was pikdonker.
Ik hoorde autoalarmen afgaan.
Ik bleef maar richting het noorden lopen.
Er bleef maar puin neerkomen, en m’n hoofd werd enkele keren geraakt.
Toen het geluid ophield wist ik dat ik in veiligheid was.
Ik had het overleefd.
Maar het was pikdonker.
Ik heb branden meegemaakt waarbij je niets zag maar dit was gewoon zwarter dan zwart.
Ik voelde brokken beton, cement, wat dan ook neerkomen op m’n helm en op m’n rug.
Ik dacht dat ik niet meer thuis zou komen.
Ik dacht dat ik er geweest was.
Ik dacht aan m’n vrouw.
Ik was doodsbang en moest de hele tijd denken aan m’n vrouw en m’n kinderen.
Ik zei tegen mezelf: Je moet hieruit zien te komen.
Je mag hier niet doodgaan.
Dat mag gewoon niet.
En na een minuut of vier, vijf leek het alsof iemand met een lamp op m’n hoofd scheen.
Ik keek omhoog, en het was de hemel.
Ik dacht: waar zijn m’n jongens gebleven?
Ik werd gek.
Waar zijn ze?
Je probeerde mensen van andere kazernes te vinden.
Iedereen informeerde naar het lot van z’n collega’s.
Je vroeg ze tot op welke verdieping ze nog mensen hadden gezien die het hadden overleefd.
Dat gaf je een idee van wie er nog leefden.
Ik wilde alleen maar weten waar Steve was.
En toen dacht ik: Allemachtig…
Ik zal hem nooit meer zien op de kazerne.
Ik bleef z’n naam roepen.
Ik liep maar te roepen.
En toen zag ik hem.
Een kwartier later zag ik hem op West Street.
Ik was heel blij om hem te zien.
Hij omhelsde me.
En daarna…
Tja…
Daarna ging je je zorgen maken om alle anderen.
Je kon niet veel meer doen.
Aan het einde van de dag moet je wel weer thuiskomen.
Het is bijzonder werk, maar je moet wel thuiskomen.
Velen van ons zijn niet meer thuisgekomen die dag.
De vreugde die ik voelde bij het weerzien met m’n kinderen was net zo groot als het verdriet om collega’s die waren omgekomen.
Het mes sneed aan twee kanten, en dat deed alleen maar meer pijn.
Het is niet makkelijk als je dit hebt overleefd bij onze brandweerkazerne.
We voelden ons begenadigd, we hadden niemand verloren.
Daarom wilden alle jongens ernaartoe om overlevenden te zoeken.
Als je een persoon zou kunnen redden, zou dat al fantastisch zijn.
Dat was de motivatie, die ik nog steeds voel… al die tijd later.
Als er een persoon in leven was, wilde je die vinden.
Wat de risico’s ook waren.
Je wilde gewoon nog iemand kunnen redden.
Sommige mannen namen behoorlijke risico’s.
Ze wisten niet of er nog iets in het vat zat.
Misschien werd er nog iets opgeblazen.
Iedereen had dezelfde angsten.
Ik was bang dat ik niet meer thuis zou komen.
Deze jongens verlieten hun huis juist om ons te ondersteunen bij onze werkzaamheden.
Dat was erg ontroerend.
Om te zien dat mensen zich niet tegen lieten houden.
Ik probeerde weg te komen.
Ik moest dat gebouw uit.
Maar het moet moeilijk zijn om je huis te verlaten terwijl je midden in
een terroristische aanval zit.
Je gezin zit thuis, en je loopt de deur uit naar iets onbekends.
Je wist niet wat er gaande was.
Het had een oorlog kunnen zijn.
Op die dag leek alles mogelijk.
Ik zat naar het journaal te kijken, telefoon in m’n hand.
Ik dacht niet dat ik ooit weer thuis zou komen.
Dit was de ergste ramp die deze stad ooit had getroffen.
Al m’n vrienden zijn dood, dacht ik.
Dit kon niemand overleven.
Ik moest erheen om te helpen.
Ik moest die jongens uitgraven.
Ook al wist ik niet of er meer gebouwen zouden instorten of ontploffen.
Ik zat te wachten op een vriend en in die tussentijd schreef ik een brief aan m’n vrouw en kinderen.
Ik schreef dat ik van ze hield.
Ik nam eigenlijk afscheid, want ik dacht dat ik het niet zou overleven.
Ik was bezig met het schrijven van die brief.
Toen kwam m’n zoon binnen.
Ik stopte snel die brief weg.
Er stonden tranen in z’n ogen, en hij smeekte me niet te gaan.
Ik moest een paar minuten de tijd nemen om uit te leggen waarom ik moest gaan.
Ik legde uit dat ik daar ook had kunnen zijn.
Als ik in dat gebouw zou zitten, zou ik bidden dat ze me zouden komen redden.
Ik zou niet willen dat ze ophielden met graven of thuis tv gingen kijken.
Ik zou hopen dat alle brandweermannen van de stad me zouden komen redden.
Ik vroeg hem: Zou jij dat ook niet zo willen?
Hoe zou jij het vinden als m’n vrienden me niet zouden komen redden?
Stel dat achteraf blijkt dat er brandweermannen thuisbleven terwijl ze mij hadden kunnen redden?
Hij is oud genoeg om dat te begrijpen.
Hij zei dat hij van me hield, en dat ik moest gaan.
Maar als ik doodging, zou hij me nooit vergeven.
Ik zei dat ik niet dood zou gaan. Ik zou terugkomen.
Maar zelf dacht ik van niet.
We moesten collega’s en burgers uit het puin halen.
Ik wilde als een gek gaan graven.
Maar dat was onmogelijk.
Je moet heel voorzichtig zijn anders veroorzaak je meer schade dan dat je goed doet.
We concentreerden ons op plekken waar mogelijk mensen lagen.
Als ik me niet vergis, is er die dag maar een persoon gered.
Er waren veel…
Er waren veel…
Je zag niet veel lijken, maar wel veel lichaamsdelen.
Ik heb misschien een of twee complete lichamen gezien.
De hoeveelheid puin was ongelooflijk.
Ik had nog nooit zoiets gezien.
Ik had wel eerder ingestorte gebouwen gezien maar dit was ongelooflijk.
Je kon niets meer onderscheiden.
Alles was in kleine stukjes uit elkaar gevallen.
Je zag niet eens een plaat beton liggen.
Geen bureaus, geen meubelen, geen computers, geen telefoons, niets.
Ik nam aan dat er van de mensen evenmin nog iets over was.
Er was werk aan de winkel.
We moesten flink gaan graven.
Om mensen te vinden, gingen we op de geur af.
De lijken waren aan het ontbinden.
Als er een rotte geur uit een holte opsteeg wist je dat er iemand lag.
We begonnen met graven, en vonden rugzakken en dergelijke.
Er lag alleen zoveel staal, dat je maar moeilijk verder kon graven.
Er waren bouwbedrijven bezig met kranen en met van die graafmachines.
Er waren mensen bezig met lasbranders.
De arbeiders en de lassers deden geweldig werk.
Daar beneden was het heet.
Je kon ook niet veilig naar beneden klimmen.
Maar in het licht van m’n zaklamp meende ik een werkbroek te zien liggen.
Ik dacht ook twee helmen te zien.
Ik keek ernaar en ik dacht bij mezelf: Waar is de man die die broek hoort te dragen ?
Ik had geen idee.
Ik wilde de hoop niet opgeven.
Maar als er ergens een werkbroek ligt zonder bijbehorende brandweerman heb je weinig hoop meer.
Het stadscentrum was helemaal donker.
De elektriciteit was uitgevallen, alles was donker.
Ik weet nog dat ik terug liep.
Het was laat in de avond, rond middernacht.
Ik liep weg van het WTC.
Ik liep op West Street in de richting van de kazerne.
M’n voeten deden pijn, dus het was meer strompelen dan lopen.
Op dat moment realiseerde ik me dat ik m’n broer was kwijtgeraakt.
En dat er honderden brandweermannen waren verdwenen.
De tranen stroomden over m’n gezicht.
Ik liep door de duisternis.
Ik had weinig hoop meer op dat moment.
De dag ervoor dacht ik nog dat het wel goed zou komen.
Ik wist dat er heel weinig hoop was.
Dat waren moeilijke momenten.
Het was ’n lange tocht naar de kazerne.
Ik zei tegen m’n mannen bij het afroepen van de namen dat we weer aan het werk moesten gaan.
Op het moment dat je op het werk verschijnt moet je klaar zijn om een brand te gaan blussen.
We hebben een heel serieuze taak te vervullen en je moet jezelf altijd voor 110 procent geven.
Dat zei ik tegen ze, maar zelf hield ik me er niet aan.
Ik gaf m’n mannen van die toespraken.
Ik zei: Als je hier komt, moet je ook kunnen werken.
Maar zelf was ik er niet klaar voor.
Ik wist niet hoe ik de dagen door moest komen.
Maar dat kon ik ze niet laten weten.
Ik kwam op het werk en zei: Kom op, zet je schrap. We gaan er weer voor.
Als het alarm afgaat, gaan we op pad.
Als je daar niet klaar voor bent, zorgen we dat je hulp krijgt.
Dan krijg je licht werk en ga je met mensen praten.
Als je ziek bent, ben je ziek.
Maar als je dit uniform eenmaal aan doet, moet je er klaar voor zijn.
Maar ik geef eerlijk toe dat ik mezelf niet voor 110 procent kon geven.
Na twee weken was er nog steeds niemand gevonden.
Dan lees je de namen van allemaal bekenden.
Veel van je collega’s zijn er niet meer.
Tussen de foto’s zie je allemaal jonge gezichten.
Jongens met stekeltjes die net waren begonnen.
Ze waren soms nog maar een jaar bezig, of zelfs drie maanden.
Als je de gezichten van die jonge jongens in de kranten ziet, is dat echt afschuwelijk.
Je had elke dag…
Eerst was je de hele dag aan ’t graven en nu had je elke dag diensten, begrafenissen en herdenkingsplechtigheden.
Je voelt je verschrikkelijk.
Je doet het voor hun gezinnen en voor je maten.
Het hoort in de traditie van de brandweer.
Je doet je best voor hun gezinnen en voor jezelf.
Het was erg zwaar.
Ik was anderhalf uur bezig met het schrijven van namen op een bord.
Er moesten 22 namen op komen voor de herdenkingsplechtigheid.
Ik had een goede vriend, met wie ik op de middelbare school zat.
In m’n klerenkast zaten meer kleren van hem dan van mezelf.
Toen we jong waren, gingen we overal samen heen.
Samen bier drinken en rokkenjagen.
Al dat soort dingen meer.
We hebben heel veel lol gemaakt, ook met andere gasten.
We groeiden samen op, vierden buurtfeesten bij mij thuis.
Dan gingen we barbecuen, en maakten we lol.
Hij is er niet meer.
In een fractie van een seconde is iemand zomaar weg.
Die torens stortten in en alles is weg.
Je hebt ook veel schuldgevoelens.
Waarom ben ik in leven en zijn anderen gestorven?
Waarom moest dat zo gebeuren?
Dan zeggen ze: Het was jouw tijd niet.
M’n tijd niet?
Ik ben geboren en dan moet ik dus op een bepaald tijdstip de pijp uitgaan.
Kan iemand me zeggen wanneer dat is?
Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zeggen ze dan.
Ik weet het niet.
Als ik 15 seconden later was geweest, was ik nu ook dood. Simpel. Simpel.
Ik heb geen idee waarom ik en bepaalde andere mensen zijn uitgekozen om te overleven.
Ik ben niet beter dan een ander mens.
Ik ben gewoon een brandweerman.
In bepaalde opzichten denk ik dat er een reden voor is.
Maar het is eng om te bedenken wat die reden dan zou moeten zijn.
Wat zal de toekomst mij brengen?
Waaraan heb ik dit verdiend?
Het is niet makkelijk zoiets te overleven.
Ik moest niet huilen toen ik hoorde dat m’n vriend werd vermist.
Ook niet bij z’n moeder thuis.
Zij was hysterisch.
Terwijl het een sterke vrouw is.
Ik moest niet huilen.
Ook niet toen ik m’n vader zag.
Zelf schreeuwde hij het uit al wist hij dat ik heelhuids thuis was.
Ik had contact met hem gehouden.
Ik leende een telefoon om te bellen.
Ik moest huilen toen ik m’n dochtertje van anderhalf zag.
Ik kon me niet meer groot houden.
Schatje, ik kom naar huis.
M’n broer en z’n vrouw waren er met de kinderen.
De halve familie was er.
Ik kreeg m’n zoontje aan de lijn.
Hij is bijna vier.
Hij zei: Papa, is alles in orde?
Ik zei: Ja hoor, ik kom zo naar huis.
En ik zei: Ik wil een pizza en een Pepsi. M’n lievelingsmaal.
En dat kreeg ik ook.
Ik dacht dat ik maar beter iets lekkers kon eten.
Dus bestelden ze twee pizza’s en een paar blikjes Pepsi.
Ik kwam thuis, tussen half tien en tien uur ’s avonds.
Ik ben nog nooit zo gelukkig thuisgekomen.
Soms kom ik moe thuis, of onder de blauwe plekken.
Maar dit was geweldig.
Ik kwam aanrijden en zag ons huis staan.
Dit is het allerbelangrijkste.
Geld is niets waard.
Je gezin is het belangrijkste.
Ik zal dit nooit vergeten
Brandweerman zijn is niet gewoon een beroep.
Nadat je je eed hebt afgelegd, verander je.
We praten over de verandering na deze ervaring maar als je brandweerman wordt, is dat een grotere verandering.
Je leert van alles en je gelooft dat je er echt toe doet.
Daarom komen we helpen.
Een vriend van me heeft z’n zoon verloren bij de ramp in het WTC.
Hij bevond zich op een van de bovenste verdiepingen.
Ik weet nog goed dat ik naar de dienst ging.
We omhelsden elkaar.
Ik zei hem dat ik er gewoon wilde zijn voor hen.
Toen zei hij dat hij nooit zal vergeten wat ik en m’n broer en alle andere
brandweermannen hebben gedaan.
We hebben geprobeerd z’n zoon te redden.
Hij zei dat hij dat nooit zou vergeten en dat m’n broer en de brandweermannen altijd z’n helden zullen blijven.
Ons werk is als een oorlog die nooit wordt uitgevochten.
Dat is ook zo.
Je doet altijd iets waardevols.
Als je dienst erop zit, heb je mensen geholpen.
Soms heb je hun huis of zelfs hun leven gered.
Geen enkele andere baan geeft je elke dag weer zo’n bijzonder gevoel.
Op de kazerne zijn we net familie.
Dat is echt zo.
Iedereen vit op elkaar en iedereen werkt hard.
Je kibbelt omdat je van elkaar houdt.
Dat zeg ik tegen m’n vrouw, en op de kazerne is het net zo.
Sommige gasten negeer je, anderen vlieg je naar de keel.
Iedereen heeft z’n eigen rare karaktertrekken maar uiteindelijk zijn het allemaal wereldgasten.
Ik zou niets anders willen doen.
We doen alles samen.
We lachten samen, en nu huilen we samen.
Nu huilen we samen.
Het is een geweldig bestaan.
Het voelt net als familie.
We gaan samen picknicken,
we vieren samen kerstfeest.
Het is net een grote familie. Geweldig.
En verder proberen we levens te redden.
Dat is ons werk.
We genieten ervan.
Alles aan dit vak is leuk.
Het gebeurt nooit dat ik met tegenzin naar m’n werk ga.
Ik heb altijd zin om naar m’n werk te gaan.
We maken heel bijzondere dingen mee.
Net als een soldaat die moet vechten.
Het is net als die jongens op de schepen voor de kust van Normandië die lagen te wachten tot de klep open ging.
Het is vergelijkbaar.
Het is geen baan, het is je leven.
Het is ook geen carrière.
Het is een manier van leven.
Ik wil ook dat nieuwelingen dat voelen.
Maar dat gebeurt niet omdat we het niet uitdragen.
We praten continu over 11 september.
We houden er niet over op.
Het is triest, maar we moeten daardoorheen.
We moeten erbovenop komen, voor de nieuwelingen.
Ik heb niet eens door in hoeverre ik ben veranderd.
Elke dag is een uitdaging.
Als ik ’s ochtends opsta, denk ik: vandaag zet ik het uit m’n hoofd.
Maar dat lukt me niet.
Hopelijk lukt dat ooit wel, maar nu nog niet.
Het is te vroeg om te zeggen wat het met me zal doen.
Het zal niet positief zijn.
Maar vooralsnog weet ik dat geld verdienen niet alles is in het leven.
En ambities zijn ook niet het belangrijkst.
Het gaat erom dat je jezelf en anderen gelukkig maakt.
Dat is een ding dat ik heb geleerd: Hoe gelukkig maak ik m’n gezin en hoe gelukkig maak ik mezelf?
Vroegere problemen blijken achteraf wel mee te vallen.
Ik voel me nu angstiger op straat dan in de tijd voor de ramp.
Ik betreur het om dat bij mezelf te bemerken.
Maar de angst is er wel.
Je kunt niet zoveel mensen kwijtraken als wij zijn kwijtgeraakt en niet nog eens goed nadenken over je werk als brandweerman.
Alles speelt zich elke dag weer opnieuw af in m’n hoofd.
Elke dag weer.
En niet een keer, maar vier of vijf keer.
En dan bedoel ik niet de gesprekken die ik erover voer.
Het is elke dag weer hetzelfde.
Je denkt aan de mensen met wie je de trappen op liep.
Die jongens zijn het gebouw nooit meer uitgekomen.
Ik weet nog dat ik ze zag, maar nu zijn ze er niet meer.
We zijn veel jongens kwijtgeraakt maar we hebben ook veel mensen gered.
25.000 tot 30.000 mensen, schijnt het.
Je hebt goed werk geleverd als je 25.000 mensen redt.
We hebben een te hoge prijs moeten betalen.
Een mankracht is al te veel, maar dit is ongelooflijk.
Als er een brandweerman sterft, is iedereen er kapot van.
Je kent hem misschien niet, maar hij is toch een maat van je.
Voor hetzelfde geld had je ergens samengewerkt.
Dan werk je zij aan zij met een onbekende ook al is die van een andere kazerne.
Als je ergens bezig bent, ben je een team.
En het team heeft veel verloren die dag.
Er moet nog veel gebeuren in de kazerne.
Veel jongens die fulltime bezig zijn, zijn niet helemaal honderd procent.
En dan bedoel ik niet fysiek maar mentaal.
Een van de jongens had nooit gerookt en is nu kettingroker.
Iemand wil een familielid niet begraven omdat die nog niet gevonden is.
Het is niet voorbij voor iedereen begraven is.
Iedereen moet het verwerken en van zich afzetten.
Je kunt praten met deskundigen, collega’s, familieleden of iemand uit de kerk.
Maar dat gaat even duren.
Als we hier niets van leren, leren we nooit iets als mens, als aardbewoner.
We moeten er iets positiefs uit halen.
Andere religies proberen te begrijpen.
Maar als dit je niet verandert, zal niets je ooit kunnen veranderen.
Als je hier geen beter mens van wordt of een aardiger, vriendelijker mens dan zal dat nooit gebeuren.
Zeker niet als je erbij was en begrafenissen hebt meegemaakt.
Als je nu geen beter mens bent geworden, gebeurt dat nooit.
Dat is het wel zo’n beetje.
Zal je dit ooit vergeten?
Dit zal ik nooit vergeten. Nooit.
Absoluut niet.
Ik draag het voor altijd bij me.
Hopelijk maak ik nooit meer zo’n klus mee.
Echt waar.
Meer valt er niet te zeggen.

Zo word je een geweldige dichter, kopte tijdschrift Schrijven, wat goed uitkwam, want ik schrijf al jaren slechte gedichten, soms heel slechte gedichten. Elk advies helpt. Het artikel was met twee pagina’s veel te kort om er iets van op te steken en was feitelijk een reclame voor Ellen Deckwitz’ boek Zo word je een geweldige dichter. Houd het toegankelijk is haar advies, schrijf iets dat de lezer raakt. En onderschat je lezer niet, debiliseer ze niet, maant ze, waarna ene Lars van der Werf wordt afgebrand als producent van kwetsbare versjes die ‘zo ontzettend voorspelbaar zijn. Er staat niets in wat je al niet weet.’ (Rancune?) Maar oké, schrijf geen stomme versjes. Tegelijkertijd hekelt ze het hermetisch schrijven, ‘want hermetische poëzie kan zeker de ongeoefende lezer het gevoel geven dat hij dom is.’

Die ene zin verwoordt volgens mij het sentiment van deze maatschappij, dat alles wat elitair is, uitgebannen moet worden. De afschuw van de elite giert je tegemoet, constateerde Bas Heijne eerder dit jaar.

Overal dezelfde dynamiek: een klasse die boos is en in opstand komt omdat ze zich niet gezien en gewaardeerd voelt, te zwaar belast wordt, recht tegenover een bestuurlijke en zakelijke klasse die ziende blind lijkt.

Het punt is (Heijne maakt er meer werk van dan ik): er moet in de maatschappij een elite zijn, die grondig kennis van zaken heeft en verantwoord met de dingen omgaat. Betrek ik dat op de poëzie, dan is hermetische poëzie even oké als stomme versjes, als klassieke toegankelijke poëzie. Het onderscheid zit hem in raffinement. Een eigenschap die ik toedicht aan de elite: raffinement (verfijning) in woordkeuze, weloverwogen metrum en een thematiek waarover is nagedacht, of die aanzet tot denken. Dat levert poëzie op die je raakt, zonder een zweem van regels volgen of doelgroepgericht schrijven. Ik heb het nieuwe chapbook van Gert de Jager net in huis Schitterende, labiele knooppunten. Ik las nog niet alles, maar wil deze strofe van het gedicht Ha! graag delen.

Ha, de wereld
van de poëzie:
in hun samenhang zijn de dingen
zoals ze zijn of in hun gebrek
aan samenhang.
Toen ik overlas
wat ik geschreven had
las ik ‘lul’ i.p.v. ‘lol’:
ook mijn handschrift hoort tot
de dingen zoals ze zijn.

‘Je bent vogelvrij verklaard’, zei een Amsterdamse agent bij De Wereld Draait Door. Hij zat naast een collega naast de korpschef om te praten over het toenemend geweld tegen agenten, wat helaas ook andere hulpverleners overkomt. De agenten vertelden over een aanhouding eerder dit jaar waarbij de verdachten (als groep) zeer gewelddadig werden. De agenten liepen ernstige verwondingen op, waarbij een van hen zei dat de verdachten eerder vrij waren dan zij, die een maand in het ziekenhuis lagen. Ze riepen de politiek nogmaals op om dit geweld echt zwaar te bestraffen. Ik werd er stil van.

‘De samenleving heeft een gedragsprobleem’, constateerde een politiechef begin april in Trouw. Hij ziet dat als mensen gecorrigeerd worden, ze dat niet meer accepteren en sneller geweld gebruiken.

Je staat gewoon met iemand in gesprek en in één keer krijg je een klap, dat hoor je vaak. Waar komt die interne agressie opeens vandaan?

Ik ben gelukkig nooit geslagen, maar merk dat onze samenleving onder hoogspanning staat. Zo zijn verbale confrontaties zeker in Amsterdam aan de orde van de dag. Laatst deed ik net op tijd een stap terug om niet door een brommer te worden overreden die vanuit het niets op me afreed. Geen excuses natuurlijk maar een grote bek, wat ik daar deed. Zo word ik wel vaker uitgedaagd, door opgeschoten gasten, jongens die het een kleine overwinning vinden als ze een volwassen vent de maat durven nemen. Jezelf beheersen is misschien lastig, maar ik laat me niet in met geweld. Dan draag ik bij aan wat ik verafschuw. Ik dacht ook: agenten hebben een olifantshuid, want dit overkomt hen elke dag; geweld, uitgedaagd worden, uitgescholden, gesard.

Collega Hans bracht zijn fotoboek mee van zijn Japanreis twee jaar geleden, wat onze voorpret alleen maar verhoogde. Prachtige plaatjes (Hans heeft een fotografenblik) van een prachtig land. En handig ook: wij gaan zijn reis grotendeels volgen.

“Waarom denk jij dat ik een colaverslaafde ben?”
“Hee, kort lontje. Rustig aan man, het is mooi weer.”
Als je wandelt, hoor je grappige dingen.

Gisteren vrienden voor een dineetje ontvangen, reuzegezellig en de alcoholinname viel reuze mee. Wel laat geworden, wat ik heel de zondag meesleepte. Er kwam een koutje bij, maar bodycombat hielp het eruit te zweten. En een tukkie doen (twee keer).

Eerder deze week kregen we het tweede boek van zwager Theo Deutinger: Ultimate Atlas. Een grafische weergave van planeet Aarde. Met bijvoorbeeld het aantal zeecontainers, het tonnage aan scheepswrakken of de uitgaven aan Defensie, waarbij de Verenigde Staten en China verrassend worden gevolgd door Saoedi-Arabië, en daarna pas volgt Rusland. Boeiend materiaal.

UAWith Ultimate Atlas, Theo Deutinger architect, designer and author of the acclaimed Handbook of Tyranny illustrates the basic data of Earth and its inhabitants to create a total portrait of the planet. How can we keep track of everything that happens on the Earth? How can we share this information with its inhabitants, despite their different languages and cultural backgrounds? Expanding on the visions of Buckminster Fuller and Stewart Brand, Ultimate Atlas answers these questions by radically levelling graphic data. Breaking down planet earth into 12 sections, the book gives a page spread to information pertaining to themes like ethnic groups, religions, nuclear warheads, and number of motor vehicles per country. The white pages of the book are divided by vertical black lines, in decreasing percentages from left to right. In this way Ultimate Atlas charts the planet with an impressive simplicity and clarity. The territorial size of Earth’s countries; the planet’s most commonly spoken languages; the places where the most chickens are raised; all this information is lucidly displayed for ready comprehension. Here is truly “planet earth in a book.”

Ik vind Utrechts het lelijkste dialect in Nederland. Twee wat volkse jongedames in de tram naar Utrecht CS spraken hardop over kwaaltjes, de kinderen en wat die trut van een…. allemaal uitspookte. Ergens las ik hoe je Uteregs moet praten en de dames hielden zich er bewonderingswaardig goed aan.

  • Verplaats de ‘t’: ‘Ik ga naar Utrecht’ wordt ‘Ik gaot naor Utereg’
  • Maak de ‘a’ lang: ‘Grandioos’ wordt ‘Graandioos’
  • En maak de ‘aa’ kort: ‘Aan’ wordt ‘An’
  • Plak een ‘i’ achter een ‘ee’, ‘oe’ of ‘ao’: ‘Een sla’ wordt ‘Eean slaoi’
  • Verkleinwoordjes eindigen op ‘ie’: jochie, meissie, flessie, stadsie.

In diezelfde tram zat ook een ‘bijzondere jongen’, die van water uit een flesje drinken een kunst maakte. Op een gegeven moment dacht ie dat hij niet zo lekker rook, want hij pakte een Ax deospray en sprayde zichzelf – zoals je ziet op tv – van top tot teen onder, met grote armgebaren. Niet onder het shirt, maar erop en vrij lang in het kruis.

Ik moest in Utrecht zijn voor vergaderingen over websites. Bij de eerste sessie bleek hoe belangrijk eigenaarschap is, dat mensen weliswaar goede dingen maken en testen met gebruikers, maar dat ze nauwelijks rekening houden met de beslissers. Scrum agile werd gezegd, elke twee weken iets opleveren en weer door. Na afloop zei een collega dat ie de opdracht begreep, waarna ik hem vroeg die dan samen te vatten, wat niet goed lukte. Ik was fel, teleurgesteld en had genoeg van aannames en beloftes.

De tweede vergadering was anders. Daar werd de opdracht tot herziening van een site contentieus en met open vizier aangepakt.

Waar ik mee bezig ben, is bio-geïnspireerd, want de natuur zit zo mooi in elkaar. Vooral als het gaat om oestrogeendominantie en de dunne wand die je met de buren deelt. Sommigen vinden dat dit verfrissend werkt. Mijn Duitse redacteur gaf me het mooiste compliment: Ik denk dat jij meer van koeien weet dan ik.